Emo-rechtspraak

Slachtoffers zijn niet gebaat bij inspraak in de strafmaat.

Op een symposium voor de Europese Dag voor het Slachtoffer oogstte advocaat Richard Korver veel bijval voor zijn opmerking ‘Laat berovers van oude vrouwtjes niet schoffelen in het park, maar oude vrouwtjes wassen in een verzorgingshuis’. Mijn eerste gedachte hierover was: zouden die oude incapabele vrouwtjes het wel leuk vinden om intiem bepoteld te worden door keiharde criminelen? En de tweede gedachte: blijkbaar wordt de lichamelijke verzorging van oude mensen beschouwd als een dermate minderwaardige rotklus – nog lager van allooi dan schoffelen in het park, geen enkele professionaliteit of toewijding voor nodig – dat dat werk prima in aanmerking komt om wetsovertreders mee te straffen. In minder verlichte tijden werden misdadigers naar de zoutmijnen of naar Siberië gestuurd, tegenwoordig kunnen ze dementen onder de douche zetten. Over maatschappelijke vooruitgang gesproken!

Korvers hartekreet had een wat demagogisch karakter, want mensen die oude vrouwtjes beroven, een delict waar geweld en intimidatie aan te pas komen, komen helemaal niet in aanmerking voor een taakstraf. Taakstraffen worden uitgedeeld bij lichte criminaliteit. Beroving met geweld valt onder zware criminaliteit en wordt dienovereenkomstig gestraft.

Als advocaat van de ouders van misbruikte kinderen in de zaak Robert M. maakt Richard Korver zich sterk voor de belangen van slachtoffers in het algemeen. Hij heeft al met succes spreekrecht voor de ouders tijdens de rechtszittingen bedongen, een novum waar wel iets voor te zeggen valt, omdat in deze zaak de slachtoffers onmondige kinderen zijn. Op dit symposium ging hij nog een stapje verder en bepleitte hij standaard inspraak van slachtoffers bij de strafbepaling van een dader (nog meer applaus van het publiek).


Deze ideeën passen in de toenemende aandacht voor de gevoelens van slachtoffers, die in het huidige rechtssysteem, behalve eventueel als getuige, geen rol van betekenis spelen. In veel gevallen worden zij niet eens op de hoogte gehouden van de voortgang van de rechtszaak. Weliswaar bestaat er slachtofferhulp, zodat iemand wiens fiets is gestolen een formulier krijgt toegestuurd waarop hij kan invullen of hij hulp nodig heeft bij ‘traumaverwerking’, maar verder is het systeem er zo veel mogelijk op gericht om slachtoffers buiten de deur van de rechtsgang te houden. Daar is een goede reden voor. Wie ‘slachtoffer’ zegt, zegt ‘emotie’ en hoe je ook mag denken over emoties in de rechtszaal, ze voegen betrekkelijk weinig toe en ze kosten veel tijd. Slachtoffers, althans degenen die hun stem verheffen, willen altijd strengere straffen en verjaring afschaffen.

Het nadeel van de gangbare objectiverende rechtspraak, waarin slachtoffers van misdrijven de vereffening van het hun aangedane onrecht delegeren aan de blinde vrouwe Justitia, is duidelijk. Na een niet altijd even doorgrondelijk steekspel tussen de officier van Justitie en advocaten komt de rechter uiteindelijk tot een vonnis, waarbij hij/zij van alles laat meewegen en waarvan slachtoffers maar moeten hopen dat hun belang niet is ondergesneeuwd. Terwijl er in een proces veel tijd wordt besteed aan het uitpluizen van verzachtende omstandigheden voor de verdachte, wordt de impact van de misdaad zelf overgelaten aan de verbeeldingskracht van de rechter. Dat slachtoffers zich buitenspel voelen staan is voorstelbaar.

Toch heeft inspraak van slachtoffers bij het bepalen van de strafmaat ook nadelen. Persoonlijke betrokkenheid vertroebelt de blik. Niet voor niets mogen artsen niet hun eigen familieleden behandelen. Een privérelatie ondergraaft de professionele relatie. Een slachtoffer van een misdrijf staat tegen wil en dank onmiskenbaar in een persoonlijke relatie met de dader die hem zo veel onrecht heeft aangedaan en leed berokkend. Spreekrecht, maar vooral inspraak bij de strafbepaling verlengt en versterkt die relatie. Tot verstikkens toe. Het is de vraag of een slachtoffer daarbij gebaat is.