Ons gelogen punkverleden

Was 1977 een cesuur in de Nederlandse geschiedenis omdat toen de Sex Pistols hier optraden? Welnee, het fenomeen polderpunk had amper iets om het lijf. Onze jeugd luisterde liever naar Abba en Queen.

Je hoort vaak zeggen dat we in Nederland heel erg de vinger aan de pols hebben bij nieuwe ontwikkelingen in de popmuziek. Bij nogal wat Amerikaanse en Britse acts zouden we zelfs bekendstaan als een soortement springplank naar internationaal succes. Deze status zouden we hebben verworven in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw, want toen wist Nederland zichzelf als hip en trendgevoelig muziekland op de kaart te zetten.

Zou het? Meten is weten, dus laten we eens een paar steekproeven doen.

Om met de jaren vijftig te beginnen: de grootste en belangrijkste popartiest van dat decennium was uiteraard Elvis Presley. Zijn eerste Nederlandse nummer-éénhit – het nogal atypische Wooden Heart – scoorde hij evenwel pas in februari 1961. In de Verenigde Staten had Presley op dat moment al zestien charttoppers achter de rug – de eerste (Heartbreak Hotel) dateerde van april 1956 – en in Groot-Brittannië reeds tien. Werd Nederland daarna alsnog wakker? Nee, niet echt. Want toen The King in augustus 1977 zijn laatste adem uitblies, kon hij bogen op in totaal achttien Amerikaanse nummer-éénhits, zestien Britse, maar slechts twee Nederlandse.

Schakelen we door naar de jaren zestig, het decennium van (vooral) The Beatles en the Rolling Stones. Hadden we beide bands in Nederland meteen in de smiezen? Nee, want zowel bij The Beatles als the Rolling Stones zat er tussen hun eerste Britse en hun eerste Nederlandse hit ruim een jaar. Inzake The Beatles werden we zodoende afgetroefd door ‘zelfs’ de Duitse platenkopers, en bij the Rolling Stones waren ook de Amerikanen ons voor. Wisten we ons daarna wellicht te revancheren? Pijnlijke vraag. Want hoewel The Beatles en the Stones hier zeer populair werden, doen we er goed aan hun succes vooral niet te overdrijven. Ter illustratie: de single die in Nederland in 1967 het vaakst over de toonbank ging heette niet All You Need is Love, Let’s Spend the Night Together, Penny Lane of We Love You, maar Waarom heb jij me laten staan, van De Heikrekels. En in 1968? Nee, niet Hey Jude, Jumpin’ Jack Flash, Lady Madonna of She’s A Rainbow, maar Ich bau’ dir ein Schloss, van Heintje. Minstens zo saillant: de enige Beatlesconcerten in Nederland voltrokken zich – échte fans hoeven we niets te vertellen – in een veilinghal in het West-Friese dorp Blokker. Terwijl John, Paul, George en Ringo zich in Amerika moesten behelpen met tot de nok toe gevulde honkbalstadions. U begrijpt: Nederland was destijds echt enórm hip en happening.


Gaan we door naar de jaren zeventig. De belangrijkste nieuwlichterij van dat decennium heette punk, een ‘muzikale tegenstroming’, zo lezen we in Oor’s Pop-Encyclopedie, ‘die rond 1976 ontstaat en in 1977, zij het heel even, wereldnieuws is’. Gezichtsbepalend voor de punkgolf waren de Britse band Sex Pistols, die – opnieuw citeren we OOR’s Pop-encyclopedie – ‘via de indrukwekkende persoonlijkheid Johnny Rotten (zijn) generatie een stem gaf’.

En inderdaad: met Rotten als frontman scoorden de Sex Pistols tussen december 1976 en oktober 1977 in Groot-Brittannië vier memorabele hits: Anarchy in the U.K. (hoogste positie: 38), God Save the Queen (2), Pretty Vacant (6) en Holidays in the Sun (8). Kort daarna, in november 1977, verscheen de elpee Never Mind the Bollocks, Here’s the Sex Pistols, die debuteerde op nummer één in de Britse albumhitparade. Logisch gevolg: toen de New Musical Express (NME), Engelands meest gelezen popblad, eind 1977 zijn jaarlijkse populariteitspoll hield, werden de Sex Pistols uitgeroepen tot band van het jaar. Ook twee andere punkbands scoorden goed: The Clash eindigde op nummer vijf in de NME-poll en The Stranglers op nummer zes.

Hoe het er ondertussen aan toeging in Nederland? We kunnen het kort houden: geen enkele single van de Sex Pistols bereikte hier de Top 40 of zelfs maar de tipparade; in Toppop – hét muziekprogramma van die dagen – waren ze bijgevolg nimmer te bewonderen, en Never Mind the Bollocks kwam niet verder dan nummer 26 in de LP Top 50. Wat Nederlandse jongeren in 1977 dan wél leuk vonden? Volgens de in december van dat jaar gehouden populariteitspoll van Muziek Expres, toentertijd ’s lands grootste popblad, waren ze dol op (1) the Rolling Stones, (2) Queen, (3) The Eagles, (4) Fleetwood Mac, (5) Supertramp, (6) Pink Floyd, (7) Status Quo, (8) Abba, (9) Genesis en (10) Yes. De iets jeugdiger lezers van Hitkrant kozen tezelfdertijd voor (1) Queen, (2) Abba, (3) Smokie en (4) Status Quo. De Sex Pistols en andere punkbands schitterden in beide polls door afwezigheid. Ergo: van welke ‘generatie’ Johnny Rotten ook ‘de stem’ mag zijn geweest, hier, in de Lage Landen, sprak hij, anders dan in het Verenigd Koninkrijk, vooral namens zichzelf.


Gelet op het voorgaande zou je kunnen verwachten dat zich weleens een historicus of een socioloog zou melden die de mythe van Nederland als (pop)muzikaal gidsland van z’n sokkel zou willen trekken. Maar zo iemand is nog altijd niet gevonden. In plaats daarvan verscheen onlangs het door de 25-jarige historica Leonor Jonker geschreven No Future Nu – Punk in Nederland 1977-2012. Het boek is de voorbode van een hele reeks activiteiten en publicaties rond het thema punk in de polder. Zo opent op 3 maart in het Utrechtse Centraal Museum de expositie God Save the Queen over Nederlandse jongerencultuur in de jaren 1977-1984 en zendt Holland Doc tussen 3 en 9 maart de programmareeks No Future uit, eveneens gewijd aan voornoemd thema.

Over het opwarmertje No Future Nu zou je kunnen zeggen dat het – onbedoeld – een enigszins kolderiek boek is geworden. Vooral omdat Jonker, die overigens bijzonder leesbaar schrijft, zich onvoldoende lijkt te hebben gerealiseerd hoe marginaal punk in onze contreien altijd is geweest. “In januari 1977,” zo lezen we bijvoorbeeld op de achterflap, “zette een serie optredens van de Sex Pistols punk definitief op de kaart in Nederland. Terwijl in Engeland hun hit God Save the Queen voor grote commotie zorgde, schoten in Nederland bands als Panic en Mecano uit de grond. Na de zomer van 1977 verschenen de eerste edities van zelfgemaakte fanzines als De KoeCrandt en Aambeeld. Wally van Middendorp, die later bekend zou worden als frontman van de postpunkband Minny Pops, richtte het muziekblad Plurex op, waar de debuutsingles van de Tits en de Mollesters bij verschenen.”


Tja, denk je dan. De Tits en de Mollesters, zouden die eigenlijk wel van elkáárs bestaan hebben afgeweten? Of kwamen ze daar pas achter toen Wally van Middendorp – u weet wel, die later bekend zou worden als frontman van de postpunkband Minny Pops – hun adviseerde om voortaan Plurex in plaats van Aambeeld te gaan lezen? Nee, laten we niet proberen leuk te gaan doen. Maar zagen we het ooit eerder zó hard stormen in zó’n klein glaasje water?

In de inleiding van haar boek vliegt Jonker nog verder uit de bocht wanneer ze noteert dat 1977 in Nederland ‘het jaar nul’ was, want ‘een werkelijke breuk in de maatschappij’. “Plotseling was alles mogelijk en creatieve geesten grepen hun kans. Zonder aansluiting te zoeken bij bestaande stijlen of genres begonnen jongeren eigen bands, schreven eigen tijdschriften en openden eigen clubs of galeries. Hierdoor vielen de punkjaren samen met een ongekende explosie van creativiteit.”

Jonker, zo gaan je dan vermoeden, heeft wellicht iets te lang geconverseerd met een paar bejaarde ex-krakers die haar op de mouw hebben gespeld dat Nederland medio 1977 één grote Staatsliedenbuurt was. Maar helaas, de middle-class white kids die destijds in Amsterdam en een handjevol andere studentensteden de door hun oudere broers en zussen geëntameerde gezagscrisis uit de jaren zestig van een nogal overbodig laatste bedrijf probeerden te voorzien, waren allesbehalve representatief voor wat Jonker ‘de punkjaren’ noemt. Want elders in Nederland stonden jongeren in veel groteren getale in de disco of op hun surfplank. Tussen de bedrijven door hielpen ze Ed Nijpels aan een enorme verkiezingsoverwinning, maakten ze van Veronica ’s lands grootste omroep en inspireerden ze de Haagse Post tot een spraakmakende coverstory over de verrechtsing van de jeugd.


Om eventuele misverstanden te voorkomen: er is niks tegen de bestudering van marginale jeugdsubculturen. Maar wie, zoals Jonker, de indruk probeert te wekken dat er op haar afgekeurde bijveldjes WK-finales werden gespeeld, overschreeuwt zichzelf misschien nog wel harder dan Johnny Rotten. Bovendien wordt zo ook het heden onbegrijpelijk gemaakt. Want als er in Nederland 35 jaar geleden sprake was van een substantiële punkgolf, hoe komt het dan – het is maar een voorbeeld – dat daar nauwelijks sporen van zijn terug te vinden in de jaarlijkse, door drie miljoen Nederlanders samengestelde Top 2000? Waarom stond ook in de jongste editie van die lijst weer geen enkele plaat van de Sex Pistols, terwijl het voor de zoveelste keer wemelde van bands (The Eagles, Queen, Led Zeppelin, Pink Floyd) die door Plurex- en Aambeeld-achtigen werden gehaat als de pest?

Never Mind Wally van Middendorp, Here’s Hotel California: misschien moeten we het daar maar op houden.

Leonor Jonker: No Future Nu – Punk in Nederland 1977-2012. Lebowski, €19,90. Ook via ako.nl.

Roelof Bouwman