Passie voor twee

Er komt geen glamour of romantiek bij kijken, en daarom duurde het wel dertig jaar voor Albert Nobbs werd verfilmd. Toch sleepten Glenn Close en haar medespeelster Janet McTeer er Oscar-nominaties mee in de wacht.

Op de eerste draaidag van een nieuw seizoen van de serie Damages voelde ze zich ietwat ongemakkelijk. Glenn Close: “Ik droeg hoge hakken en het strakke pak van een executive. Dat was ik niet meer gewend.” Amper 48 uur eerder had ze de opnamen van de film Albert Nobbs afgerond, waarvoor ze niet alleen mannenkleren droeg, maar zich ook een mannelijke motoriek had aangemeten. Het duurde even voor ze dat personage had afgeschud.

We mogen Albert Nobbs van Close gerust betitelen als een labour of love. Ze vertelt dat er een aanloop van een kleine dertig jaar nodig is geweest om de film te maken. Ze is eindeloos met het scenario blijven leuren voor ze een producent vond die er heil in zag. Voordien hadden talloze potentiële geldschieters de boot afgehouden. Het verhaal over een vrouw in het negentiende-eeuwse Dublin die zich al zo lang en consequent als man voordoet dat ze haar seksualiteit (en identiteit) goeddeels heeft uitgevlakt, valt buiten de beproefde categorieën. Kostuumdrama’s hebben weliswaar commerciële potentie, maar dan moet er wel sprake zijn van een ruime portie retro-glamour en/of romantiek. En die begrippen zijn niet van toepassing op het titelpersonage.

Uiterlijk vertoon komt in het vocabulaire van Albert Nobbs sowieso niet voor. Hij (of eigenlijk: zij) heeft er een specialiteit van gemaakt om niet op te vallen en verdient de kost als kelner in een chic hotel. Een bedeesd en onderdanig type dat de kameleontische vaardigheid heeft de kleur van het behang aan te nemen. Een muizig mannetje – want dat Nobbs in werkelijkheid een vrouw is, moet tot elke prijs een geheim blijven. Ontmaskering zou onherroepelijk tot ontslag leiden. En werk is lastig te vinden in die tijd. Daar is Nobbs zich maar al te goed van bewust. Een paar straten voorbij het hotel wemelt het al van de bedelaars, zwervers en werklozen. En aan romantisch smachten maakt de hoofdpersoon zich ook al niet schuldig. Voor zover Albert al ergens naar verlangt, is het een bestaan als kleine zelfstandige. Een eigen tabakszaak met de naam ‘Nobbs’ in grote gouden letters op de gevel.


Glenn Close speelde Albert Nobbs in 1982 in New York in een theaterproductie die losjes was gebaseerd op een kort verhaal van George Moore. Het bleek een rol die ze maar moeilijk van zich af kon zetten. “Ik voelde een bijzondere verbintenis met het personage. En dat gold ook voor de toeschouwers van dat toneelstuk. Er is me goed bijgebleven hoe krachtig de reactie van het publiek was.”

En dus ondernam Close pogingen het stuk om te werken tot een film. Scenaristen en regisseurs kwamen en gingen. De Hongaar Istvan Szábo toonde zich geïnteresseerd, maar zijn enthousiasme sleet naarmate de jaren verstreken en uiteindelijk gooide hij de handdoek in de ring. Zo niet Close: “Ik ben altijd in deze film blijven geloven. Ik zei tegen producenten dat ze mijn passie voor het project niet hoefden te delen aangezien ik in mijn eentje genoeg passie voor twee had.”

Ze vond een medestander in Rodrigo García, een regisseur met wie ze vaker had samengewerkt, onder meer in het meesterlijke Things You Can Tell By Just Looking At Her.

Hij verbaasde zich erover dat niemand het project aandurfde. García: “Een jaar of twintig geleden zou Albert Nobbs moeiteloos financiering hebben gevonden. Dan hoefde je alleen maar te roepen dat je een kostuumfilm met Glenn Close in de hoofdrol had en je was binnen. Zelfs bij de grote studio’s.” Lachend: “Al zouden die vermoedelijk een andere draai aan het verhaal hebben gegeven en er zoiets van hebben gemaakt als Gosford Park meets Thelma and Louise.”

Close: “Het scenario liet zich moeilijk verkopen. Er zit wel humor in het verhaal, maar ik vond het moeilijk om uit te leggen wáár precies. Soms is de humor niet op de pagina’s van het script te vinden, maar komt die pas tot uitdrukking in de manier waarop je dingen speelt of zegt.”


Een mooi voorbeeld daarvan is de scène waarin Albert en een geestverwant, die ook al een half leven als man door het leven gaat (Janet McTeer), zich voor het eerst sinds lange tijd in vrouwenkleren steken en een wandeling gaan maken. De jurken zitten ongemakkelijk en de vrouwen hebben er zichtbaar moeite mee zich een houding te geven. Ze zien eruit als onwennige travestieten die zich voor het eerst als vrouw hebben uitgedost.

Dat de scène met luid gelach werd ontvangen tijdens de première op het filmfestival van Toronto bewijst het gelijk van Close: humor laat zich niet altijd in woorden vangen. En de aftiteling was nog niet voorbij of de speculaties over Oscar-nominaties hadden al een aanvang genomen. Close doet er luchtig over (“De dag na de uitreiking is de dag waarop een begin wordt gemaakt met speculaties over de Oscars van volgend jaar”), maar ze zal zeer verguld zijn geweest met de Oscar-nominaties die zij en McTeer in de wacht sleepten. Voor een ‘kleine’ film als Albert Nobbs is de publicitaire waarde van zo’n nominatie immers van grote waarde.

Close beantwoordt vragen van een roedel journalisten in een hotelkamer in Toronto. Ze maakt een alleszins ontspannen indruk. Uitwerken van het interview zal – zo blijkt later – enigszins worden bemoeilijkt doordat sommige antwoorden worden gesmoord in een gierende lach.

Gevraagd naar de volharding die ze aan de dag legde om de film gemaakt te krijgen, begint Close een verhandeling over de kracht van kunst. “Verhalen en kunstwerken hebben het vermogen je te raken en te ontregelen. Dat kan voor een paar uur zijn, of voor de rest van je leven. Er zijn schilderijen, boeken en muziekstukken die in mijn herinnering gegrift staan en die de manier waarop ik naar dingen kijk, de manier waarop ik erover nadenk, hebben veranderd. Ik zoek naar projecten, naar verhalen die dat vermogen hebben. En Albert Nobbs raakte me.”


Close duidt haar personage consequent aan als ‘zij’, hoewel dat in de context van het verhaal toch niet vanzelfsprekend is. “Ik ben haar altijd als vrouw blijven beschouwen. Al heeft ze zich dan volkomen in die mannenrol ingeleefd. Het is een tweede natuur voor haar geworden zich anders voor te doen dan ze is. Zoals ze het ook vanzelfsprekend is gaan vinden zichzelf onzichtbaar te maken.”

Close legt uit dat het gedrag van Albert valt terug te voeren op traumatische ervaringen die ze als tiener heeft meegemaakt. “Ze is misbruikt en mishandeld en stond vervolgens ook nog eens op straat zonder geld, zonder baan, zonder vooruitzichten en zonder naam. Dat baantje in het hotel was haar reddingsboei, haar overlevingsstrategie.”

Rodrigo García karakteriseert Albert Nobbs als iemand die tot elke prijs geaccepteerd wil worden. “Mensen zijn bereid grote offers te brengen om ergens bij te horen, ergens in opgenomen te worden. Een identiteit is niet per se iets dat je hebt, maar ook iets dat je aanneemt. Sommige mensen kiezen voor een vorm van zichzelf waarvan ze denken dat die geaccepteerd wordt. In het geval van Albert betekent het dat ze de vrouw in zichzelf volledig heeft weggedrukt. Vernietigd eigenlijk.”

Hoe diep die vrouwelijke identiteit is weggestopt, moge ook blijken uit de plannen die Albert heeft met z’n spaargeld. García: “Iemand anders zou dat geld wellicht gebruiken om naar een andere stad te verhuizen en weer als vrouw te gaan leven. Maar die gedachte komt bij Albert niet eens op. Haar ultieme droom is een winkel te openen onder de mannelijke naam die ze heeft aangenomen.”


García vindt niet dat de situatie karakteristiek zou zijn voor het Victoriaanse tijdperk. “Veel personages in het verhaal pretenderen iets te zijn wat ze niet zijn. Dat is van alle tijden. De keuzen die we maken, worden deels gedicteerd door onze omgeving. We kiezen een bepaalde studie of een vak ook omdat anderen denken dat het een goede keuze is. En we trouwen niet alleen omdat we dat zelf zo’n goed idee vinden, maar ook omdat onze omgeving daar stilletjes op aandringt.”

Voor García is het alweer de derde keer dat hij met Glenn Close samenwerkt.

Close: “Rodrigo heeft geen last van een groot ego. Hij had de dienstbaarheid om te zeggen: we gaan jouw film maken, en hij heeft me toegestaan een actieve rol te spelen in de totstandkoming. En wat ook heel prettig is: als hij ergens onzeker over is, dan durft hij dat toe te geven.”

En dan heeft Close nog een belangrijk compliment voor de filmmaker: “He embraces women.”

Dat is een bondige manier om aan te geven dat Garcia een filmmaker is die vrouwen bewondert en begrijpt. Want inderdaad: het draait steeds weer om vrouwen.

De verklaring? García: “Vrouwen gaan makkelijker met hun emoties om en praten daar ook meer over. Wellicht vind ik het daarom makkelijker om films over vrouwen te maken.”

Maar hij wil niet als maker van ‘vrouwenfilms’ te boek te staan. “Ik zou ook niet weten wat dat zijn. Ik ben gewoon geïnteresseerd in de onderlinge relaties van mensen. Het vertrouwen en ongemak bij familieleden, ouders, echtgenoten, zusters, broers, geliefden. Op een of andere manier kom ik daarbij vaak bij vrouwelijke personages terecht. Maar kom alsjeblieft niet bij mij aankloppen voor een speech over de vrouwelijke identiteit of de internationale sisterhood.”


‘Zoon van’ is een ander etiket dat García manmoedig met zich mee torst. Zijn vader is zo’n beetje de beroemdste levende schrijver op de planeet: Gabriel García Márquez. En nee, hij is niet van zins ooit een van zijn boeken te verfilmen. “In de eerste plaats omdat ze moeilijk te verfilmen zijn. Maar ook omdat alle aandacht zich prompt zou richten op het feit dat de zoon een werk van zijn beroemde vader heeft verfilmd. Dat zou de eigenlijke film waarschijnlijk overschaduwen.”

‘Albert Nobbs’. Regie: Rodrigo García. Vanaf 8 maart in de bioscoop.

Erik Spaans