Waar is het misgegaan?

Twee schijnbaar gewone Amerikaanse jongens richtten een bloedbad aan op hun middelbare school. Ook Tim Krabbé slaagt er, ondanks zijn nauwkeurig opgebouwde feitenrelaas, niet in deze verbijsterende gebeurtenis te verklaren.

Tim Krabbé is een schrijver die de gebeurtenissen het werk laat doen. Hij grossiert niet in symbolen, psychologismen en dubbele gelaagdheden. Het is althans niet zijn bedoeling die expliciet in zijn boeken aan te brengen. Als er een thema in zijn boeken zit, dan moet de lezer dat zelf ontdekken, het liefst aan de hand van de emoties die hij tijdens het lezen heeft ondergaan. Krabbé zal niet snel schrijven dat zijn romanfiguren zich verdrietig of ongelukkig voelen. Wel zal hij trachten de omstandigheden zo te beschrijven dat het ongeluk en het verdriet van de personages onafwendbaar tot de lezer doordringt.

In Wij zijn maar wij zijn niet geschift is Krabbé tot het uiterste gegaan. In dit boek heeft hij getracht de daden en motieven te beschrijven van de twee jongens die in 1999 een bloedbad hebben aangericht op Columbine High School bij Littleton, Colorado. Daarbij werden twaalf medeleerlingen en een leraar doodgeschoten. De twee jongens, Eric Harris (18) en Dylan Klebold (17), sloegen daarna de hand aan zichzelf.

Deze gruwelijke gebeurtenis ging de wereld rond. Er werden films en boeken over gemaakt en op een vreemde manier inspireerde het andere jongeren om hetzelfde te doen. Harris en Klebold werden beschouwd als monsters die in koelen bloede willekeurige medeleerlingen hadden vermoord, maar groeiden in sommige kringen ook uit tot cultfiguren, die protest hadden aangetekend tegen een mensheid die steeds verder robotiseert en die geheel van zichzelf vervreemd is geraakt.

In de loop der jaren is het bloedbad in Columbine uitgebreid onderzocht en gedocumenteerd. De gebeurtenis is vastgelegd in een wirwar van rapporten, videobeelden, getuigenverklaringen en andersoortige interviews. Politici, psychologen, opvoedkundigen, sociologen, kerkleiders en nog vele anderen hebben zich over Columbine uitgesproken. Uiteraard had ook de president van de Verenigde Staten er een mening over. Zij veroordeelden en zochten allemaal naar verklaringen voor het feit dat twee niet domme jongens, tamelijk goed opgeleid en zeker niet in wreedheid opgegroeid, tot dergelijk destructief gedrag konden overgaan.


Het moet dan ook voor Tim Krabbé een sisyfusarbeid zijn geweest om in die baaierd van hele, halve en valse informatie, alleen datgene te verzamelen wat volgens hem de gebeurtenissen op die fatale dag in Columbine getrouw weergaf. Daarbij laat Krabbé zich niet leiden door emoties of beschouwingen van morele aard. Hij wil de feiten geven en hoofdzakelijk de feiten. Verklaringen draagt hij slechts aan als hij (vrijwel) zeker weet dat die door feiten worden geschraagd. In interviews heeft Krabbé beweerd dat dit het eerste boek over Columbine is waarin bovenal de feiten spreken. Misschien is Wij zijn maar wij zijn niet geschift niet het definitieve boek over Columbine, maar voorlopig is het wel het ultieme boek. Of de stelling van Krabbé terecht is, kan ik niet beoordelen. Daarvoor ken ik de literatuur over Columbine te slecht.

Zelfs als de bewering van Krabbé gegrond is en zelfs Amerikaanse auteurs niet in de buurt komen van wat hij, Krabbé, over de moordpartij heeft geschreven, dan nog is het de vraag of Wij zijn maar wij zijn niet geschift een goed boek is. Ik twijfel daar ernstig over. Het is waar: het begin is ronduit meesterlijk. Daarin krijgen wij een adembenemend nauwkeurige beschrijving van die 20ste april 1999. Dat is overigens niet zomaar een datum, want op 20 april 1889 werd Hitler geboren.

Harris en Klebold rijden naar school in hun auto’s die volgestouwd zijn met wapens en bommen. Het plan is om Columbine High School op te blazen en daarbij ten minste vijfhonderd slachtoffers te maken. Maar de meegebrachte bommen gaan niet af, en dus zit er eigenlijk niets anders op dan de klassen langs te gaan om tamelijk willekeurig leerlingen neer te schieten. Harris en Klebold lijken dat te doen in een soort euforie, waarbij zij hier een daar genade voor recht laten gelden. Door bepaalde leerlingen ongemoeid te laten – die allemaal bekenden zijn – spelen zij voor God, die over leven en dood beschikt.


Ook het slotdeel van het boek, waar Krabbé tot enige voorzichtige conclusies komt, is in al zijn feitelijkheid bijzonder fascinerend. Maar het uitvoerige deel daartussenin, het voorspel dat beschrijft hoe Harris en Klebold tot hun daad zijn gekomen, vergt veel van de lezer. Ik begrijp Krabbés behoefte aan volledigheid, want juist daardoor vergroot hij de kans op een objectief oordeel. Maar de volledigheidsdrang maakt de weg voor vrij voor herhalingen, en die zijn fnuikend voor het tempo van het verhaal. Doorgaans ligt juist hierin de kracht van Krabbé, maar nu laat hij het afweten. Met als gevolg dat Wij zijn maar wij zijn niet geschift hier en daar behoorlijk saai is geworden.

Wat ook niet meehelpt, is dat het denken van Harris en Klebold maar een beperkte horizon heeft. Zij houden er een kinderachtig sociaaldarwinisme op na. Iedereen die zwak is, moet dood. Eigenlijk is de hele mensheid zwak, dus zou het nog beter zijn om de hele mensheid op te blazen. Niet ongeestig schrijft Krabbé dat de ambities van het duo na enige tijd ‘realistischer’ werden en dat zij besloten het opblazen van de mensheid te beperken tot hun eigen school.

Het boek zou wellicht gered zijn als Harris en Klebold ontspoorde, maar briljante leerlingen waren geweest, die met een beroep op Nietzsche of op wie dan ook anderen en zichzelf in het ongeluk hadden gestort. Maar hun Duits was rudimentair, ook al koketteerden ze graag met allerlei nazidenkbeelden. Het waren weliswaar geen aardige jongens, maar gewone jongens waren zij aanvankelijk wel. Onopvallende havo-jongens, die verslaafd waren aan het videospel Doom. Dat zij de wereld van Doom bijna voor echt aannamen, zegt ook iets over hun intellectuele beperkingen.


In interviews heeft Krabbé gezegd dat hij de twee jongens geen psychopaten wil noemen, omdat dat uiteindelijk ook maar een etiket is dat niets verklaart. Wel is hij, via internet en na het lezen van duizenden pagina’s, dicht bij een soort begrijpen gekomen. Dat begrijpen bestaat dan uit heel samenstel van verklaringen. Misschien zullen andere lezers het anders ervaren, maar voor mij heeft Krabbé uiteindelijk toch niet de kern verklaard van het moorddadig gedrag van Eric en Dylan. Veel jongens spelen Doom en gaan niet moorden. Veel jongens hebben weinig toezicht van hun ouders en gaan niet moorden. Veel jongens vinden het vervelend wanneer zij na een inbraak een taakstraf krijgen, en gaan toch niet moorden. Enzovoort.

Stel: iemand zou mij nu, na het lezen van 416 pagina’s Krabbé, vragen waarom Eric Harris en Dylan Klebold het hebben gedaan. Dan zou ik na lang nadenken toch antwoorden: “Omdat zij gek waren.”

Tim Krabbé: ‘Wij zijn maar wij zijn niet geschift’. Prometheus, €19,95. Ook via ako.nl.

Max Pam