Uilskuiken van de week: Ronald Giphart

Elke week een artikel in zijn geheel op de site. Deze week het uilskuiken van de week: Ronald Giphart.

Het wekt geen verbazing dat een figuur als Reinout Oerlemans direct toehapt als een ziekenhuis hem aanbiedt om met verborgen camera’s patiënten te komen filmen. Oerlemans is immers een hersenloze aap die eerst soapster was in een van de belabberdste televisieproducties ooit en die daarna met zijn bedrijfje Eyeworks vergelijkbare rotzooi is gaan produceren.

Hij is geestelijk vader van onder meer Idols en IQ-test, een programma dat hem, wanneer hij er zelf aan zou deelnemen, het denkniveau ‘ernstige verstandelijke beperking’ zou opleveren. Van Oerlemans, kortom, kun je zoiets verwachten.

Van iemand die zich schrijver noemt, verwacht je zoiets niet. En juist daarvan bleek er eentje rond te kronkelen, Ronald Giphart, toen de tegel dankzij wroetwerk van onder meer Nieuwsuur werd gelicht.

Geschrokken poogde hij te ontsnappen aan het vallicht, maar de berichtgeving had hem te pakken; er was geen ontsnappen meer aan. Hij bleek een witte doktersjas te hebben gedragen met ‘stagiair’ erop.

In zijn column in de Volkskrant schreef Max Pam dat hij wegens familieomstandigheden de afgelopen tijd regelmatig in het VUmc was geweest. Hij verweet Giphart zich te hebben uitgegeven voor iemand die hij niet was. Wanneer hij hem tegen het lijf was gelopen, zou hij hem hebben verzocht op te hoepelen. Zelf zou ik de voorkeur geven aan de methode-Kinneging. Vorige week kwam er dan eindelijk een reactie van de schrijver. In zijn Volkskrant-column ging hij tekeer tegen de ‘schuimende verontwaardiging’ die na het bekend worden van het verborgen camera-schandaal bezit nam van het land. ‘Grotesk’ noemde Giphart het. Kranten, programma’s en twitteraars zouden allerlei onwaarheden hebben gedebiteerd waardoor het ziekenhuis, lieve hemeltje, nu gebukt gaat onder een kwalijke reputatie.

Na het lezen van deze column vroeg ik mij af of Giphart tijdens zijn stage misschien te lang in een MRI-scanner had gelegen, of dat hij van verkeerde medicijnen had gesnoept. Die patiënten en Nieuwsuur hadden niet zo moeten zaniken over privacy, redeneert hij, dan was dit voortreffelijke ziekenhuis een hoop leed bespaard gebleven.

Wat had de auteur Giphart eigenlijk te zoeken in dat ziekenhuis? Als je misstanden aan de kaak wilt stellen, misschien dat je je dan vermomt als stagiair. Wanneer het ziekenhuis jou benadert en jij op hun verzoek undercover gaat, zouden er alarmbellen moeten gaan rinkelen. Word ik hier wellicht misbruikt ter meerdere eer en glorie van een op winst gerichte onderneming die op zoek is naar positieve publiciteit?

Geen moment komt die gedachte op bij Giphart. Vermoedelijk kreeg hij goed betaald voor z’n schnabbel, maar daarover in de column geen woord. Het is één grote lofzang op dat fantastische ziekenhuis waar geweldig personeel werkt. Alsof mensen niet weten dat er in elk ziekenhuis goed en minder goed personeel werkt.

Dit personeel wordt nu door ‘overspannen managers’ en ‘hysterische boe-roepers’ kapotgemaakt, aldus Giphart. Het dringt niet tot hem door dat het ziekenhuis zichzelf met doorgeslagen pr-methodes in diskrediet heeft gebracht.

Giphart is niet meer te genezen. Wiens brood men eet diens woord men spreekt, lijkt zijn devies. Als ik communicatiemanager van woningcorporatie Vestia, Amarantis Onderwijsgroep of kinderopvang ’t Hofnarretje was, zou ik hem zeker bellen om hem een aardig boekje te laten schrijven. Met Giphart heb je tenminste geen gedoe achteraf.

In de jaren tachtig deed sluikreclame in Nederland zijn intrede: de firma Ikea zorgde ervoor dat in de serie Zeg ’ns Aaa een bank werd vertoond uit haar catalogus. Intussen heeft sluikreclame ook de letteren bereikt: in Mannen die vrouwen haten van Stieg Larsson schijnen reeksen van producten voor te komen.

Met zijn ziekenhuisboek had Giphart hier een dimensie aan kunnen toevoegen: de sluikroman. We blijven zijn werk met belangstelling volgen.

joris van casteren