Laatste adem

Wie zijn leven zinvol wil afsluiten, jaagt een illusie na.

In diepte-interviews met topmannen die over hun top heen zijn, valt nogal eens de sterfbedverwijzing. Die gaat ongeveer zo: “Als je op je sterfbed ligt, heb je nooit spijt dat je niet harder gewerkt hebt.” Ook topvrouwen die halverwege de rit terugkeren naar het aanrecht mogen hun besluit graag toelichten met een beroep op hun toekomstig sterfbed. Als het eenmaal zover is, zul je niet wensen dat je meer directievergaderingen had bezocht/meer geld verdiend/meer tassen aangeschaft/meer lucratieve deals gesloten, enzovoort. De strekking van deze wijsheid is duidelijk. Wie zich aldus uitlaat, is tot het inzicht gekomen dat er belangrijke en onbelangrijke dingen bestaan in het leven en heeft besloten voor de hem resterende tijd de juiste prioriteiten te stellen. Meestal komen die neer op meer aandacht besteden aan geliefden en kinderen, plezier scheppen in immateriële zaken, stilstaan bij eenvoudige genoegens zoals spelende katjes of een zonsondergang.

Niets mis natuurlijk met bezinning en het cultiveren van het eigen tuintje, maar waarom wordt dat sentimentele sterfbed erbij gehaald? De sterfbedscène is een cliché uit films en romans, waarin iemand in het zicht van de naderende dood de balans opmaakt en voor zijn naasten nog een laatste waarheid in petto heeft, met cathartisch effect. In de werkelijkheid doet dit soort sterfbedscènes inclusief veelbetekenende laatste woorden zich maar weinig voor. Een derde van de mensen wordt onverwacht overvallen door de dood zonder dat ze zelf iets in de gaten hebben. Een derde glijdt zachtjes naar de afgrond in een roes van pijnbestrijding. En een derde ziet een en ander weliswaar aankomen, maar maakt zich druk over zaken in het hier en nu, zoals knellende steunkousen, smerige koffie of de hond die moet worden uitgelaten. Mensen sterven even slordig en onoplettend als ze leven. Maar meer dan spijt bij leven over gemiste kansen of verkeerd handelen geldt de sterfbedvariant als de ultieme mislukking.


Laatst kwam ik in een prekerig stukje van Ronald Giphart in de Volkskrant zelfs de top vijf van spijtgevoelens op het sterfbed tegen. Wat betreuren stervenden zoal? Dat ze niet de moed hebben gehad om hun eigen leven te leiden in plaats van zich te voegen naar wat anderen hun oplegden. Dat ze te hard gewerkt hebben. Dat ze hun gevoelens niet hebben geuit. Dat ze te weinig contact met vrienden hadden. En ten slotte dat ze zichzelf niet toestonden om gelukkiger te zijn.

Tjonge, wat een deprimerende opsomming. En wat een door en door moderne litanie ook. Als je de hedendaagse wroeging over gemiste kansen vergelijkt met bijvoorbeeld de traditioneel christelijke spijt op het sterfbed (dat je hardvochtig bent geweest tegen je familie, dat je je hebzuchtig of hoogmoedig hebt gedragen), dan heeft er toch wel een pijnlijke verschuiving plaatsgevonden van gerichtheid op anderen naar egomanie. Het topvijf-lijstje spijt bestaat alleen maar uit ik-ik-ik en het gemiste geluk.

Wat me tegenstaat in het sterfbedperspectief is dat het leven wordt voorgesteld als een lange aanloop tot de dood. Een aanloop waarvoor dezelfde prioriteiten moeten worden gehanteerd als je zou aanleggen vlak voor je dood. Maar mensen wisselen van prioriteiten tijdens hun leven. Soms gaat alle aandacht en ambitie uit naar werken, sporten, gamen of slieren in het uitgaansleven, en een tijd later is het weer welletjes. Vrienden worden verwaarloosd en daarna weer niet, al naar gelang de druk van de omstandigheden. Het sterfbedperspectief dwingt een leven in een zogenaamd zinvol kader, alsof je toewerkt naar het moment waarop je kunt zeggen: ik heb mijn plicht gedaan – ik ben gelukkig geweest.


De christelijke moraal spiegelt leven na de dood voor. De spijt-op-het-sterfbedmoraal gaat uit van het idee dat een betekenisvolle afsluiting (closure) mogelijk en nastrevenswaardig is. Het zijn allebei illusies. Er is alleen het leven zelf met zijn zwenkende prioriteiten.

Meer leuke content? Like ons op Facebook