Wanhopig op zoek naar een vriend

In De loopjongen van Gerrit Komrij mag de lezer alle achtergrondinformatie zelf invullen. Werkt dat? Ja en nee.

Meestal is het andersom – je leest een lange roman en je denkt op de helft: het had beter een novelle of een kort verhaal kunnen zijn. Te veel uitleg, de spanningsboog past niet bij de gekozen vorm, de personages zijn niet interessant genoeg om een paar honderd pagina’s je aandacht vast te houden. Bij De loopjongen, de nieuwe korte roman van Gerrit Komrij, begin je je halverwege af te vragen: was dit boek niet veel beter tot zijn recht gekomen met een paar honderd pagina’s erbij?

De loopjongen uit de titel is hoofdpersoon Arend Wiebenga. We maken kennis met Arend als hij een jaar of veertien is. Hij woont in een suf dorpje met zijn moeder, een vrouwelijke dominee, wat zeker in die tijd – jaren zestig – tamelijk uniek en geëmancipeerd was. Arends vader is overleden.

In drie delen en een addendum volgen we Arends ontwikkeling van een eenzame, dromerige jongen tot een belangrijke figuur in een fanatieke communistische partij in de grote stad. Bij de partij vindt hij eindelijk wat hij al die tijd zocht. Een echte vriend.

Komrij houdt de details vaag. Er wordt niet benoemd in welk dorpje Arend opgroeit, hoe oud hij precies is, in welk jaar we ons bevinden, hoe Arends vader is overleden, in welke grote stad hij gaat wonen. Misschien omdat zulke informatie je uit het hoofd van het personage haalt. Het is altijd een duidelijke tussenkomst van de schrijver, en heeft daardoor iets onnatuurlijks – hoe vaak denkt iemand nou: het is nu 2012, of 1967, of: ik bevind me in Amsterdam?

Het zou ook kunnen dat Komrij Arends wanhopige zoektocht naar een vriend zonder enige ruis wil presenteren. Alles wat kan afleiden, alle achtergrondinformatie, mag de lezer zelf invullen.


Nou ja, de redenen voor de geconcentreerde manier van vertellen doen er eigenlijk weinig toe. De enige echt zinnige vraag die je erover zou moeten stellen is: werkt het?

Ja en nee. Ja: Komrij’s zinnen zijn als altijd puntgaaf, qua woordkeus, qua ritme, qua toon – afstandelijk, onnadrukkelijk ironisch. Komrij kan iets belachelijk maken zonder het echt te bespotten: “Op school vertelt Arend wel eens dat ze thuis erg arm zijn. Op een warme, vertrouwelijke toon. Omgekeerde opschepperij, als je het goed bekijkt.” En de, laten we het maar grote uitspraken noemen, de aforistische zinnen, voelen nooit prekerig aan – ook hier is het Arend die vertelt, niet een schrijver die zijn scherpzinnigheid wil bewijzen: “Iedereen gelooft in de complimenten van anderen. Maar niet iedereen beseft, net als hij, dat de anderen met honderden, duizenden zijn en inwisselbaar.” Of deze: “Arend verandert van tactiek. Tussen toneelspel en net doen of je niet toneelspeelt zit geen verschil… dat hele gedoe heeft hem niets opgeleverd… dus moet hij terug naar de werkelijkheid.”

En nee: het werkt ook niet. Het is moeilijk om echt met Arend mee te leven. Aan het begin is hij weinig meer dan zijn streven naar een vriend – maar je begrijpt nooit waarom het bij een streven blijft. Hij is een beetje onhandig, soms, maar er staat hem niks in de weg om vrienden te maken. De paar keer dat hij het probeert, lukt het niet, maar het zijn geen onoverkomelijke mislukkingen, en zijn pogingen zijn vrij halfslachtig.

Al met al is het compleet zijn eigen schuld. Dat had aangrijpend kunnen zijn als we meer inzicht zouden hebben in Arends blokkade, in wat hem tegenhoudt. Maar daarvoor weten we te weinig van hem af. En zijn streven voelt als aanstellerij. Dat is vooral een probleem omdat alle spanning uit dat streven moet komen.


Een echte plot is er niet, voor een ontwikkelingsroman is er te weinig ontwikkeling, en grote delen – vooral het stuk over de communistische partij in de grote stad – doen vrij schetsmatig aan. Het portret van de communistische rebellie, met alle bijbehorende drogredenen, is nauwkeurig en vermakelijk, maar je hebt ook het gevoel dat je dit al wel eerder hebt gelezen. Een keer of dertig.

Ook de band met Arends moeder wordt in grote lijnen neergezet, net als het overlijden van zijn vader en Arends liefdesleven – terwijl juist op die dingen ingezoomd had kunnen worden zonder dat het iets had afgedaan aan het verlangen naar een vriend. Integendeel.

Het einde, het addendum, is ijzersterk. Het doet aan Hermans denken, aan zijn oorlogsromans en de treurige sukkels die om alle verkeerde redenen in schimmige clubs terechtkomen. Denk aan die oorlogsromans, maar dan zonder het medelijden met de hoofdpersonen, en zonder de ongelooflijke spanning – dan heb je een idee van de sfeer. Komrij’s slotregel is trouwens prachtig en kan zich meten met de beste slotregels van Hermans. Zoals Hermans zich voor veel zinnen in De loopjongen niet had geschaamd.

Maar een verzameling prachtige zinnen is nog geen prachtige roman.

Gerrit Komrij: De loopjongen. De Bezige Bij. €17,50. Ook via ako.nl.

Dries Muus