Het Fortuyn-effect

Alle partijen hebben eronder geleden, maar ze kunnen er ook van leren.

De documentaire De dag dat Fortuyn won, die op 6 maart werd uitgezonden, had een indringend slot. Na de onthutsende beelden van het lijsttrekkersdebat, die dag tien jaar geleden, volgde de mededeling dat Pim Fortuyn precies twee maanden later werd vermoord en dat Ad Melkert en Hans Dijkstal nog hetzelfde jaar de politiek verlieten. Het blijft een onvergetelijke periode uit de Nederlandse politiek. Een periode ook met grote gevolgen. Het is sindsdien niet meer rustig geworden. Alle partijen hebben op een of andere manier te lijden gehad onder het Fortuyn-effect.

Allereerst natuurlijk de Paarse partijen op wie Fortuyn zijn pijlen richtte, maar evenzeer het CDA, GroenLinks, ChristenUnie en ook de SGP. De periode Fortuyn werkte als deeltjesversneller voor de ontzuiling. Partijen raakten hun vanzelfsprekende aanhang kwijt – zelfs de SGP verloor in 2002 een zetel – en de politiek raakte overgeleverd aan de grillen van de zwevende kiezer. Meer dan ooit werden campagnetactiek en mediaoptredens van belang om succes te boeken.

Van de zes mannen die op 6 maart 2002 aan tafel zaten, verlieten niet alleen Melkert en Dijkstal de politiek in 2002, maar ook Paul Rosenmöller. Al wist hij zich veel beter tegen Fortuyn te weren, hij werd wel slachtoffer van de verharding in de politiek en alle bedreigingen die zijn deel werden. Zijn partij, GroenLinks, verloor bij de verkiezingen van 2002 weliswaar maar een van de elf zetels, maar in 2003 – inmiddels onder leiding van Femke Halsema – weer twee en in 2006 nog een. Pas in 2010 boekte GroenLinks weer drie zetels winst.


De PvdA verloor in 2002 22 van de 45 zetels, maar won er daarvan in 2003 onder leiding van Wouter Bos daar weer negentien terug. Toen werd dat niet verzilverd in regeringsdeelname, maar in 2006 – na een verlies van negen zetels – werd Bos wel vice-premier in het kabinet Balkenende-IV. Hoe dat afliep is bekend. Job Cohen nam in 2010 het stokje van Bos over met de bedoeling premier te worden, maar inmiddels zijn de sociaal-democraten terug bij af.

De VVD levert inmiddels de premier en is de grootste partij, maar zit nog steeds zeven zetels af van de 38 waarmee ze in 2002 de verkiezingen in ging. Veertien zetels werden toen verloren. In 2003 kwamen er vier bij, maar in 2006 was er, net als bij de PvdA, opnieuw verlies, ditmaal van zes zetels. De verklaring? In dat jaar kwam Geert Wilders met negen zetels de Kamer in en behaalde Jan Marijnissen met zijn SP 25 zetels, een winst van zestien zetels. In 2003 hadden de traditionele partijen zich nog weten te herstellen, doordat de kiezer was geschrokken van de ellende met de LPF, maar in 2006 was dat effect weer verdwenen.

Toen zette ook de eerste daling in van het CDA sinds 2002. In dat jaar had de partij veertien zetels gewonnen. In 2003 kwam er nog eentje bij en stond de teller op 44 zetels. Maar in 2006 verloor de partij drie zetels én de mogelijkheid om met rechts te regeren. De switch van Balkenende naar de PvdA werd de opmaat voor het verlies aan geloofwaardigheid van de partij die na de ‘nacht van Fortuyn’ weer aan de macht was gekomen.

Als persoonlijkheid heeft Fortuyn nooit een opvolger gekregen in de Nederlandse politiek, maar zijn zetels zijn goeddeels bij de PVV en de SP terechtgekomen. Deze partijen weten net als Fortuyn in 2002 in te spelen op de onderstroom in de samenleving. Maar er is een belangrijk verschil: Fortuyn schroomde niet diezelfde samenleving ook een onaangename boodschap voor te houden. Wie het debat van 6 maart 2002 terugkijkt, ziet dat Fortuyn zich daarin vooral profileert op financiële degelijkheid. Hij maakt zich zorgen over de renteontwikkeling, wijst op de staatsschuld en zegt dat er geen cent bij mag voor de volksgezondheid totdat alle bureaucratie is aangepakt.


Die combinatie maakte Fortuyn uniek. Hij gaf de mensen het gevoel gehoord te worden zonder ze naar de mond te praten. Een wijze les voor de PvdA en CDA, die nu zo worstelen met hun bestaansrecht.