Kameleon in het Concertgebouw

Razend druk heeft directeur Simon Reinink het met het naderende feestje rond het 125-jarig bestaan van ‘zijn’ Concertgebouw in 2013. Bovendien moet hij extra geld binnenhalen en een jonger publiek zien te trekken met nieuwe formules. ‘Ik heb de leukste baan van de wereld.’

‘Als het gaat stormen, moet je het stuur steviger vasthouden,” zegt Simon Reinink, directeur van het Concertgebouw, terwijl hij in zijn werkkamer aan het Concertgebouwplein peinzend in een kopje thee roert. Reinink (45) is kapitein van een cultureel vlaggeschip in crisistijd. Van de 200 miljoen euro die bezuinigd moet worden op kunst en cultuur heeft het Concertgebouw weinig last. Het gebouw ontvangt voor de programmering geen overheidssubsidie en is vooral afhankelijk van sponsors uit het bedrijfsleven. Die zijn in deze tijden wel een stuk minder gul dan voorheen. Reinink: “Dat maakt het voor een directeur lastig om uit te leggen dat hij aan de ene kant mensen moet ontslaan en anderzijds geld in het Concertgebouw stopt. Het lukt ons gelukkig nog steeds om sponsors aan ons te binden, maar je merkt dat het moeilijker is geworden.”

Aan het bezoekersaantal is een maatregel als de btw-verhoging vooralsnog niet te merken. De 750 concerten zijn vorig jaar door 750.000 mensen bezocht. Van een daling is (nog) geen sprake.

Zes jaar geleden werd de ex-advocaat, ex-manager en ex-uitgever uitverkoren om in de voetsporen te treden van ‘Mister Concertgebouw’ Martijn Sanders, en nu gaat het Concertgebouw, dat 125 jaar bestaat in 2013, onder Reininks leiding het jubileumjaar in. De directeur belooft dat het, ondanks de crisis, een feestje met allure wordt. In de aanloop daartoe vinden in het jubileumseizoen een paar bijzondere activiteiten plaats. Zo krijgt Mariss Jansons carte blanche. Voor het eerst zal hij in Amsterdam aantreden in een serie rond de vier orkesten waarvan hij chef-dirigent is: het Koninklijk Concertgebouworkest, de Wiener Philharmoniker, de Berliner Philharmoniker en het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks. In de programmering heeft hij de vrije hand.


Reinink: “Dat het ons gelukt is deze orkestreuzen met Jansons in één seizoen naar Amsterdam te halen is een logistieke operatie van jewelste en een unicum in de geschiedenis van het Concertgebouw.”

Ook operasterren als sopraan Ana Netrebko en tenor Rolando Villazon zullen het feestje luister bijzetten, en er komt een decenniumserie waarin onder anderen schrijver Geert Mak stilstaat bij grote en nog altijd actuele thema’s uit de afgelopen eeuw. Reinink: “Het Concertgebouw is geen museum. Daarom willen we vanuit onze historie graag vooruitblikken. We hebben in de decenniumserie gekozen voor thema’s die nu nog actueel zijn zoals ondernemerschap – denk ook aan de oprichting van het Concertgebouw in 1882 – oorlog en vrede, muziek in de crisisjaren, een verscheurd Europa.” Hij lacht en wijst op de voorpagina van de krant. “Hoe actueel wil je het hebben?”

In een dergelijke programmering valt de signatuur van Reinink te herkennen. Voor hem staat klassieke muziek niet los van de tijdgeest en de maatschappelijke ontwikkelingen. Reinink wil bruggen bouwen, weg uit het getto dat Mozartistan heet. De hedendaagse concertpraktijk is een sleets relikwie uit de negentiende eeuw, toen de Duitse dirigent Hans von Bulow (1830-1894) een einde maakte aan de slemppartijen en anarchie in de concertzalen door de musici op een verhoogd podium te zetten. Zo wilde Van Bulow meer eerbied voor de hoge kunst terugbrengen in de concertzalen. Daarna bleef de traditionele concertformule van een ouverture, een solowerk, symfonietje en tussendoor een kopje lauwe koffie in de pauze decennialang onveranderd.


Maar de wereld buiten de muren van de concertzaal veranderde wel. Wordt het niet tijd toe te geven dat de traditionele concertformule allang voorbij de houdbaarheidsdatum is? Reinink: “Nee, dat is te stellig. Ik denk wel dat het muziekcircuit te lang heeft gewacht met het inspelen op veranderende behoeftes, maar ik geloof niet dat alles anders moet. Er is nog steeds een groot publiek dat hecht aan de traditionele concertformule. Wel zijn er meerdere doelgroepen met andere behoeftes gekomen, en daar moeten wij op inspelen met een gevarieerder aanbod.”

Dat gebeurt door bijvoorbeeld in de serie ‘Concertgebouw Classics’ op laagdrempelige wijze de rode loper uitrollen voor mensen die wel van klassieke muziek houden, maar nooit naar een concert gaan. De formule: een glas champagne, klassieke tophits en een presentator, Gregor Bak, die het publiek een avond lang aan de hand meeneemt. Ook is er de serie ‘Tracks’: concerten met naast klassieke muziek nieuwe ingrediënten als popmuziek, dj’s en visuals. Ze duren niet langer dan een uur en daarna is er een afterparty. De jongeren die hierop afkomen zijn cultureel geïnteresseerd en hoogopgeleid. Maar bereik je met een dergelijke serie ook de kinderen van Johnny en Anita? Reinink: “We willen die jongeren bereiken die wel interesse hebben in klassieke muziek, maar geen avondvullend programma willen. Het succes van de serie, die dit seizoen de vierde editie beleeft, toont aan dat er belangstelling is voor zulke concerten.”

Reinink heeft iets jongensachtigs, al is hij de veertig ruim gepasseerd. Als student rechten werd hij eerst lid van Veritas, maar stapte over naar het Utrechts Studenten Corps (USC), waar hij hoog in de boom zat en in 1990, in zijn laatste studiejaar, werd benoemd tot lustrumrector. Zo’n jongen was hij, ondergedompeld in de corpscultuur. Het USC noemde hij ooit ‘een klein bedrijf’, waar in zijn tijd zo’n 3,5 miljoen gulden in omging. Reinink: “Ik zie grappig genoeg veel overeenkomsten met mijn huidige functie. Bij het corps hield ik me ook bezig met representatie, bedrijfsvoering, programmering, productie, sponsoring en fundraising: allemaal activiteiten waar ik in mijn huidige baan ook weer mee te maken heb.”


Dat corpsverleden was bij zijn aantreden ook meteen een punt van kritiek. Immers, het was oud-Akzo-topman Aarnout Loudon (voormalig corpslid en ex-commissaris bij het Concertgebouw), die Reinink als mogelijke opvolger van Sanders voorstelde. Een onbekende Nederlander – iemand die in het internationale muziekcircuit naam noch status had – aan het hoofd van een van de belangrijkste Muziekpodia ter wereld? “Schande,” riepen de critici. “Dit is weer zo’n typische benoeming uit het old boys network. Vriendjes die elkaar leuke banen toeschuiven en dat anno 2006.”

“Die kritiek heeft mij geen seconde geraakt,” reageert Reinink. “Je moet Iemand op zijn merites beoordelen, en als mensen je willen wegzetten in een bepaalde groep, is dat hun zaak. Daarbij wil ik aantekenen dat Loudon destijds een lijst met meerdere namen bij de sollicitatiecommissie had ingeleverd, en die commissie kende mij helemaal niet.”

Dat Reinink bij geen enkele groep valt onder te brengen, is wellicht ook een voordeel voor deze baan. Hij schuift gemakkelijk aan bij de CEO’s van het internationale bedrijfsleven, maar ook bij het artiestenvolk. Want achter zijn ietwat formele uiterlijk schuilt een halve artiest. Als kind speelde hij virtuoos gitaar en volgde hij een masterclass bij de Argentijnse gitarist Eduardo Falú. “Maar toen ik een jaar of zestien was zag ik een gitarist spelen die even oud was als ik en zoveel beter speelde. Toen dacht ik: dat niveau zal ik nooit bereiken. Bovendien had ik veel andere interesses.”

De Concertgebouw-directeur is wel altijd blijven musiceren, onder meer als gitarist/altviolist in het zigeunerorkest tzigane. “Simon heeft inderdaad een formele kant,” zegt Tzigane-violist Ernest Loot. “Maar je kunt ook ontzettend met hem lachen. Hij is soms net een kame-leon, en iemand die zich in elk gezelschap thuisvoelt. Hij is een ongelofelijk goede netwerker, dat is zijn kracht. Bij Tzigane is hij trouwens niet aangenomen vanwege zijn altvioolkwaliteiten. Simon is de uitvinder van het ‘Wunder-akkoord’: een akkoord dat zó vals is dat het overal in past. Ik weet niet of hij de man is die de klassieke muziek in het Concertgebouw het nieuwe elan kan geven waar deze tijd om vraagt, maar feit is dat hij openstaat voor vernieuwing. Dat is winst; de vorige directeur leunde sterk op bestaande structuren. Ik heb ook het gevoel dat zijn interesse in het vernieuwen van de concertpraktijk.authentiek is, echt uit hemzelf voortkomt. Een tijdje terug verscheen hij op een van de concerten van het Paradiso Orchestra om eens te kijken hoe wij dat nou aanpakken. Dat is positief.”


Zijn vriend en jaarclubgenoot Gaius Vote noemde hem in NRC ooit een atypische corpsbal. Vote: “Berekenend klinkt te negatief, maar Simon wist wanneer het tijd voor gezelligheid was, en wanneer voor serieuze dingen. Velen van ons konden, zeker toen, die afweging minder goed maken.”

Dat atypische is kenmerkend voor Reininks karakter. Hij komt uit een aristocratisch nest. Zijn grootvader was secretaris-generaal van het ministerie van onderwijs en mede-oprichter van het Holland Festival. De jonge Simon bracht een groot deel van zijn jeugd door op landgoed Linschoten: het voormalige familielandgoed in het Groene Hart. Zijn vader, emeritus hoogleraar kunstgeschiedenis, nam hem als jochie regelmatig mee naar het Concertgebouw en naar Bayreuth. Maar wat hij in eerste instantie wilde worden? Geen bankier, directeur of hoogleraar, maar boer. Reinink: “Zolang ik mij kan herinneren heb ik een passie voor de natuur en het boerenbedrijf. Al mijn vrije uren bracht ik door op de boerderijen van het landgoed. Ik ben groot geworden tussen de koeien en de mest. Iedere ochtend ging ik om vijf uur de deur uit en kwam ik ’s avonds na het melken thuis. Daar heb ik geleerd wat werken is, want als stads jochie moest ik minstens drie keer zo hard werken als mijn vriendjes uit het dorp.” Tot zijn vijftiende jaar was hij ervan overtuigd dat hij boer zou worden. Reinink: “Maar ergens rond die leeftijd werd ik mij bewust van het feit dat ik met een beetje inspanning best redelijk kon leren. Ik heb nog overwogen om naar het conservatorium te gaan, maar vond een algemeen vormende studie slimmer. Het werd uiteindelijk rechten, met milieurecht vanwege de link met de natuur.”


Reinink kan weleens jaloers zijn op mensen die meteen weten wat ze willen met hun leven. Die voor één ding gaan en daar de beste in worden. Zijn carrière (van advocaat tot uitgever en directeur van het belangrijkste podium in de wereld) is hem min of meer overkomen. Hij beschreef zichzelf in de Volkskrant ooit als een omnivoor. “Ik benijd mensen die zeggen: ik word medicus, fluitist of ik ga oude talen studeren, en die dat dan vervolgens hun leven lang doen.”

Dat roept de vraag op hoe lang hij zichzelf geeft bij het Concertgebouw. Reinink lacht en zegt: “Ik hoop hier voorlopig te mogen blijven. Ik heb de leukste baan van de wereld. Het is echt een fascinerende plek waar de hele wereld samenkomt, waar zo veel gebeurt dat je hart sneller doet kloppen: topkunst, educatieve projecten, noem maar op. Ik ga elke dag fluitend naar mijn werk.”

Zijn voorganger Martijn Sanders is de geschiedenis ingegaan als ‘Mister Concertgebouw’, die het grootste deel van het pand renoveerde, tal van sponsors aan het Concertgebouw verbond en via een eigen programmering de zaal tot een van de best draaiende concertzalen ter wereld maakte. Maar Sanders had de economische wind mee en vertrok op het moment dat de alarmbellen over de economie begonnen te rinkelen. Reinink: “Ik heb niet alleen te maken met de economische crisis en een minder kunstvriendelijk kabinet, maar ook met een veranderende rol van het Concertgebouw in de samenleving. Daarom hebben we in deze periode ook fors geïnvesteerd in projecten op het gebied van educatie, participatie en nieuwe concertvormen.”


Nog een investering is de uitgifte van aandelen. Zo hangt er een nieuwe poster in de wandelgangen van het Concertgebouw. Op het affiche staan foto’s van de 19de-eeuwse naamlijsten uit de Grote en de Kleine Zaal, alleen zijn de namen van Haydn en Bach (niet geheel toevallig) vervangen door Simon en Jan Willem (Loot, ex-directeur Koninklijk Concertgebouworkest). Net als in 1882 heeft het Concertgebouw besloten aandelen uit te geven ten behoeve van een fonds voor toekomstig onderhoud aan het gebouw. Vijftig miljoen euro moet er over een tijdje in kas zitten. Genoeg om een flinke som rente te genereren waarmee het gebouw de financiële positie kan versterken. Reinink: “Er is nu meer dan zeven miljoen binnen, en dat is verheugend.”

Maar de aandelenemissie is al een keer verlengd en loopt op 11 april af. Hij heeft dus nog een maand voor de resterende vijf miljoen. Dat lijkt met de huidige economische malaise nauwelijks haalbaar. Reinink blijft positief. “We hebben in totaal duizend aandelen uitgegeven en er zijn er nu ongeveer zeshonderd verkocht. Ik ga ervan uit dat we de komende weken nog veel aandelen zullen verkopen. Hoe gaat zoiets: mensen leggen het op een stapeltje en handelen vaak op het laatste moment.” En als dat niet gebeurt? Reinink: “Dan zullen we de emissie niet nogmaals verlengen en zijn we tevreden met het bedrag dat is opgehaald. Dat is een belangrijke start voor het opbouwen van het fonds.”

De renovatie van het Concertgebouw, die op de entree na is voltooid, is een van Reininks doelstellingen, want als hij ooit vertrekt wil hij het Concertgebouw in perfecte conditie aan een opvolger kunnen overdragen. “Ik zal ook heel blij zijn als het gebouw door vele lagen van de bevolking wordt omarmd. Dat het een tempel zonder drempel is geworden.” Daar is dan wel een kleine revolutie voor nodig, want voor veel mensen is de drempel naar het Concertgebouw nog steeds hoog. Reinink roert weer bedachtzaam in zijn thee en zegt: “Ach, ik ben geen man van de revolutie. Ik geloof in evolutie. Ik benader de toekomst graag vanuit dat historische besef. Anders verlies je het contact met de basis, en dat is vaak de oorzaak van veel problemen in deze tijd. In het bedrijfsleven zijn de afgelopen decennia veel managementlagen en functies gekomen die louter zijn gefocust op processen. Daardoor kun je het contact met de kern, de inhoud van dit ‘bedrijf’ en met je publiek kwijtraken, en je verliezen in procedures. Als deze tijd ons íets kan leren is het wel dat dit nooit mag gebeuren.”

Oswin Schneeweisz