Sneller sterven

Neem bij zorg gezondheidswinst als uitgangspunt in plaats van levensduur.

Onze laatst levensfase kost geld, en daar willen we het niet over hebben. Ten onrechte.

In een week die – opnieuw – werd gedomineerd door de crisis en het grote zwijgen vanuit het Catshuis, keek ik naar het debat in de Tweede Kamer over het burgerinitiatief Voltooid Leven. Een wetsvoorstel om ouderen te begeleiden die het leven moe zijn, haalde het niet. De politiek sprak er met respect over, maar een meerderheid staat er voorlopig – helaas – niet achter. Ik ging over tot de orde van de dag: bezuinigingen.

Het zal mijn economenbrein wel zijn, maar ineens klikten die twee zaken in mijn hoofd aan elkaar: bezuinigingen en het levenseinde. Even schrok ik er zelf van: over leven en dood praat je niet in termen van geld, toch? Een menswaardig einde is geen kosten-batenkwestie. Maar hoe langer ik erover nadacht, des te meer ik daaraan begon te twijfelen. Waarom mogen we eigenlijk niet over kosten praten als het om de laatste levensfase gaat?

De kosten van de laatste levensfase kunnen gruwelijk hoog zijn. We overlijden op steeds hogere leeftijd en die laatste fase duurt – met dank aan de medische wetenschap – steeds langer. In het laatste jaar van ons leven maken we gemiddeld zo’n 11 procent (vrouwen) tot 16 procent (mannen) van onze totale zorgkosten op. Tienduizenden euro’s zijn soms nodig om ernstig zieke patiënten met dure behandelingen een paar weken extra te geven. Of om langzaam stervende mensen in verpleegtehuizen te verzorgen.

Het ironische is soms, zo blijkt uit voorbeelden van het genoemde burgerinitiatief en de pas geopende Levenseindekliniek, dat patiënten daar niet allemaal op zitten te wachten. De vraag wat iemand wil – sterven of leven – wordt door veel artsen niet eens gesteld, omdat het eerste antwoord tot problemen leidt.


Juist omdat het over leven en dood gaat, en het recht om daar zelf over te beschikken, is het wat mij betreft onethisch om het verzoek van mensen die dood willen niet in te willigen. En het is – soms – dus ook onnodig duur. Als mensen niet meer willen leven, waarom laten we ze dan niet sterven?

Maar zelfs als de dood helemaal niet welkom is: mag langer leven dan alles kosten? Ik vind van niet. Het is een valse voorstelling van zaken om te doen alsof er geen schaarste is in de zorg, en alsof de honderdduizend euro die sommige levensverlengende maar niet genezende kankerbehandelingen kosten, niet ten koste gaan van de zorg voor anderen. We bezuinigen op gehandicaptenzorg en staan toe dat ziekenhuizen ’s nachts te weinig gynaecologen hebben om bevallende vrouwen bij te staan. Maar over de vraag wat de kosten mogen zijn van het behandelen van mensen die de dood in de ogen kijken, durven we niet te praten.

Als het gaat om bezuinigingen in de zorg, komt het erop aan de zwakke plekken te vinden, waar met behandelingen geen gezondheidswinst te boeken is. Laten we die gezondheidswinst als uitgangspunt nemen in plaats van de verlengde levensduur. Het komt erop aan niet te bezuinigen op gezondheid en een beter leven, maar wel op langzaam sterven. Columnist Kees Kraaijenveld pleit in Vrij Nederland dan ook voor een nieuw adagium: langer leven, sneller sterven. Dat heeft hij goed gezegd.

De medische sector – zo blijkt uit een middagje surfen op internet – wil hier wel degelijk over praten. Menig arts worstelt met behandelingen die in zijn ogen te vaak zinloos zijn. Ook de Gezondheidsraad loopt niet weg voor de discussie. In een rapport uit 2008 adviseert de Raad bij de keus om wel of niet te behandelen uit te gaan van maximaal 80.000 euro aan zorgkosten voor een extra levensjaar van goede kwaliteit.


Maar van een discussie over de kosten van sterven wil het maar niet komen. De combinatie van geld en dood ligt gevoelig en roept te veel emoties op. Zeker als het in het kader van bezuinigingen wordt geplaatst, is het onderwerp veel burgers en politici te bar.