Collaboratie

Dit dreigt een politiek stukje te worden. Ik waarschuw u maar even. Nieuwe PvdA-leider, Wilders, van die dingen. Lafheid en dapperheid, durf en collaboratie.

Het begint vanmorgen, toen ik op de radio over de oude Willem Drees hoorde. Hoe zat dat ook al weer met hem in de oorlog vroeg ik me af en ik haalde zijn biografie erbij. Ik begon te lezen en kon nauwelijks meer stoppen, gefascineerd door de verwarring die in die jaren (1940) heerste in alle politieke kringen, zelfs die van de sociaal-democratie. Vluchten naar Londen? Wel of niet meewerken met de Duitsers, met hun sympathisanten? Waar eindigt persoonlijke integriteit, waar begint verantwoordelijkheid voor het grote belang. Eeuwige thema’s.

Maar eigenlijk begon dit stukje ook al zaterdagmorgen, toen ik op dat vervelende Twitter allerlei rechtse baasjes ontzettend kinderachtig zag katten over de benoeming van Diederik Samsom tot PvdA-leider. Plaatjes van Samsom als de duivel, persiflages, etc. Ik wou me in de discussie begeven. ‘Get a life, als je de Volkskrant azijnpissers noemt, hoe kun je dan zo tekeer gaan’ (slechts 83 tekens, dus dat had gekund), wou ik schrijven. Maar mijn vrouw zei: “De hoofdredacteur van HP/De Tijd moet zich niet met dit soort kleine jochies inlaten.” Had ze wel gelijk in. Je maakt ze maar belangrijk.

En toen vanmorgen dus Drees en de verwarring in het begin van de oorlog. En ik zag parallellen, geloof het of niet. Met nu. Niet dat we nu een inval van de buren hebben. Maar dat we met vraagstukken van persoonlijke integriteit zitten, met politici die daarmee moeten omgaan en die wij daarop moeten beoordelen en aanspreken. Ik zag de beelden van de drie onderhandelaars voor het Catshuis. Hoe gewoon we al vinden dat Wilders daar mee praat. Ik zag Rutte duiken bij de discussies over het Polen Meldpunt. Onze premier.

En ik dacht: godverdikke, die Samsom. Goede jongen, kan misschien nog niet zoveel. Ik zou nu nog niet op m stemmen. En misschien wel nooit. Maar ik geef ‘m een kans. Die gaat tenminste niet met Wilders aan een tafel onderhandelen. Die kent z’n fatsoen. Toch?

frank poorthuis