Een goed gesprek met Henk Krol & Wim Daniëls

We zitten midden in de Boekenweek. Veel auteurs staan in de belangstelling, zíjn naam wordt nauwelijks genoemd. Toch verschenen van zijn hand 93 titels, hij verkocht meer dan een miljoen boeken. Wim Daniëls (58), samensteller van spellinggids het Witte Boekje, produceerde ook een heuse bestseller over taal: Komkomma. Het is een selectie van de columns die de taalkundige elke week uitspreekt in het radioprogramma Spijkers met Koppen. Hij zit verder regelmatig aan tafel bij Pauw & Witteman, en is overal in het land te vinden met theatervoorstellingen en lezingen. Bijzonder geïnteresseerd is hij in Vincent van Gogh en in fietsen. We ontmoeten hem in Restaurant Olijf, naast het Vincent van Gogh Village in Nuenen, bij het Aardappeleterssteegje.

“In het huisje waar Van Gogh De aardappeleters schilderde, leerde ik bandenplakken. Hier in de buurt heb ik bovendien vaak gefietst langs alle plekken die voor Van Gogh zo belangrijk waren. Ik voel een sterke verbinding met de schilder. We zijn ook allebei vernoemd naar een overleden broer. Vanwege die band schreef ik daarom voor kinderen Vincentje van Gogh, over de tijd dat Vincent zelf nog een kind was. “

Is dat niet wat morbide, je kind vernoemen naar een dood kind?

“Ouders doen dat vaak. Bij Vincent van Gogh was dat heel dramatisch. Hij werd geboren precies een jaar nadat zijn broer was overleden. Op verjaardagen dachten zijn ouders meer aan het overleden broertje dan aan hem. Daardoor had hij wel last van die vernoeming. Ikzelf had een broer die Wim heette. Gelukkig heb ik daar geen last van gehad, heb ik me nooit tweederangs gevoeld.

Wat voel jij bij die broer die je nooit hebt gekend?

“Ik heb altijd voor hem gezorgd.”

Hoe dat zo?

“Voor zijn graf. Jarenlang. Tot het op een dag helemaal weg was. Het kerkbestuur had het zomaar geruimd. Het hele kinderkerkhofje in Aarle-Rixtel was ineens verdwenen. In die tijd was dat vrij gewoon; de Kerk had het voor het zeggen.”

Waarom schreef je juist een kinderboek over Van Gogh?

“Voor volwassenen was er genoeg, maar gek genoeg was er voor kinderen bijna niets. In dat boekje vertel ik dat Van Gogh helemaal niets met eten had. Als men voor hem een prachtige tafel gedekt had met daarop de mooiste spijzen, zei hij altijd: ‘Ja maar, ik eet alleen maar brood en kaas.'”

Gastvrouw Nanette Kruitwagen brengt als voorgerecht tartaar van langoustine met auberginecrème en aioli. Als wijn schenkt ze een Duitse viognier uit de Palts.


Ben je 24 uur per dag bezig met taal?

“Veel mensen vinden van wel. Het onderwerp interesseert me mateloos. De grenzen van de wereld zijn de grenzen van de taal. Als mensen niet uit een conflict komen, ligt dat aan taal.”

Wanneer begon die obsessie?

“Toen ik een jaar of vier, vijf was. Op zaterdag moesten alle vier de kinderen na elkaar in een teiltje in bad. Tijdens dat badderen kwamen er mensen aan de deur geld ophalen. De meest fascinerende mannen waren de huurophaler – elf gulden en een dubbeltje per week, Kareltje Put voor de voetbalclub en Van de Burg, die kwam voor de ‘brandinstansie’. Dat bleef me bij. Jaren later vroeg ik aan mijn moeder: ‘Waar kwam Van de Burg eigenlijk voor?’ Ze antwoordde: ‘Voor de brandinstansie.’ ‘Wat is dat?’ ‘De brandinstansie. Wat zou de brandinstansie nu anders zijn dan de brandinstansie.’ Ik begreep er niets van. We waren straatarm, mijn ouders hadden alleen lagere school en we hadden thuis maar één boek. Hoe we er aan waren gekomen, is me een groot raadsel: Archie, de man van staal. Ik moest mijn kennis dus van buiten halen. Waar zou ik kunnen opzoeken wat brandinstansie betekende? Zo kwam ik in de bibliotheek van Helmond.”

En wat vond je?

“Dat het ging om de man van de brandassurantie. Dat vertelde ik mijn moeder. ‘Hij kwam voor de brandverzekering.’ Maar ze bleef het volhouden: ‘Nee, hij kwam voor de brandinstansie.’ Voor haar was dat een onvervreemdbaar woord. Voor mij was het het begin van mijn zoektocht naar taal.”

Het begon met het opzoeken van woorden?


“Ja. En dat ik op de middelbare school het woord ‘hullie’ gebruikte. De leraar dwong me dat te vervangen door een Nederlands woord. Dat lukte me niet. Uiteindelijk werd dat de reden om Nederlands te gaan studeren.”

Waar kwam je belangstelling voor literatuur vandaan?

“Ik had een leraar, dat was een verteller. Harm Savenije. Hij las voor. Dat raakte me tot in mijn ziel. Ik weet zelfs de eerste zin nog die hij voorlas. ‘Aangenomen dat alles goed is geregeld, dan ben ik de laatste tijd tamelijk nijdig, dacht de beer Bullo.’ Dat komt uit een verhaal van Anton Koolhaas. Wekenlang heb ik met die zin rondgelopen, omdat er iets niet in klopt. Zo ontdekte ik nieuwe logica in literatuur. Ogenschijnlijk hebben het eerste en tweede deel van de zin niets met elkaar te maken en toch is dat de gedachtegang van de beer. Daardoor ben ik van literatuur gaan houden.”

Het hoofdgerecht wordt gebracht door chef-kok Eric Kruitwagen: gegrilde zeebaars met een coquille, groene asperges en zeebaarstartaar. De wijn daarbij is een Foral, een vinho verde uit Portugal.

Door je leraar ging je lezen?

“Door hem kwam ik in de bibliotheek met het voornemen alle boeken die daar te lezen stonden. Later werden dat universiteitsbibliotheken in binnen- en buitenland en particuliere verzamelingen. In Amsterdam heb ik vele dagen gesleten in het Meertens Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde, in de tijd dat Voskuil daar nog werkte. Alle werken stonden er toen nog onbeschermd. Je mocht zelf de boeken uit het rek halen.”

Je ouders hadden niets met taal?


“Nee. Ze spraken niet eens Nederlands. Ik ben met het dialect opgegroeid. Ook daarin ben ik enorm geïnteresseerd. Het dialect is op sterven na dood. Over veertig jaar is het helemaal afgelopen. Logisch, want een dialect kan alleen bestaan bij de gratie van grenzen. Mijn ouders kwamen de gemeentegrenzen niet over. Uit eigen onderzoek bleek dat op mijn lagere school, 45 jaar geleden, 96 procent van alle kinderen werden opgevoed in het dialect. Nu is dat op diezelfde lagere school precies omgekeerd. Nog slechts vier procent hoort thuis alleen dialect. Dat komt omdat er geen grenzen meer bestaan.”

Gaat het Nederlands ook verdwijnen?

“Dat denk ik niet. Voorlopig komen er alleen maar meer Nederlandssprekende mensen bij. Alleen in het onderwijs staat het onder druk. Op universiteiten is het Nederlands aan het uitsterven. Mijn zoon koos bewust voor Maastricht, omdat daar tachtig procent van de colleges in het Nederlands gegeven zouden worden, niet in het Engels. Tot Kerst moest hij wachten eer hij in de collegebanken zijn eerste woord Nederlands te horen kreeg. Het Engels rukt daar op. Bijna de helft van alle studenten komt er niet uit Nederland.”

Vonden je ouders het niet vreemd dat je ging studeren?

“De ambachtsschool vonden ze veel meer voor de hand liggen. Als ik in de weekenden thuiskwam van de universiteit, bleven ze vragen wat ik nu eigenlijk studeerde. Daar snapten ze niets van. Mijn vader had niet eens zijn lagere school afgemaakt. Hij geloofde niet dat je met taal je brood kon verdienen.”

Jou lukte dat zelfs met je boeken. Welke titels zijn het best verkocht?


“Het sms-boekje, het Witte Boekje, dat is de tegenhanger van het Groene Boekje, en het Van Dale Junior spreekwoordenboek.”

Je was eerst leraar. Hoe verliep de overstap naar het auteurschap?

“Geleidelijk. Op school gebruikte ik alle tijd tussen de lessen, elke pauze en elk vrij uur, om te schrijven. Die behoefte werd groter dan de drang om kennis aan leerlingen over te brengen. De eerste doorbraak was een boek over namen, De naam is… Het verwonderde me dat niet alleen mijn broer ook Wim Daniëls heette, maar nog veel meer mensen. Dat werd het begin van mijn schrijverij. Later kwamen daar de voordrachten bij.”

Hoe vaak doe je dat?

“Minimaal twee keer per week. Het leukst zijn de eenmalige voordrachten met een speciaal thema, bijvoorbeeld Internationale Vrouwendag. Die is leuk, omdat taalvernieuwing vooral te danken is aan jonge, hogeropgeleide vrouwen. Die hebben grote invloed op reclame en mode. De meeste verzoeken krijg ik echter voor mijn lezing over de geschiedenis van de taal en over die van de fiets. Fietsen is mijn andere passie.”

Welke andere columnisten volg je?

“Van Sylvia Witteman lees ik alles. Prachtige columns, zonder dat ze mensen afzeikt. Daar heb ik een hekel aan. Dat gebeurt de laatste tijd steeds vaker. Volstrekt onnodig. Als bij RTL Boulevard de dood van een meisje in Oostende dat ook nog eens is misbruikt, wordt aangekondigd als ‘Geen happy (Oost)ende’, vind ik dat schandalig. Waarom moet je mensen aanpakken die niets hebben misdaan? Alleen maar om een grap te kunnen maken?”

En taalgrappen?

“Die maak ik zelf ook. Toen bij begrafenisondernemer DELA een lijk uit de kist was gevallen omdat hun bodems dun zijn en van slechte kwaliteit, kon ik uitleggen dat het woord ‘delamineren’ uit elkaar vallen betekent. Ze hebben het me niet kwalijk genomen; onlangs mocht ik zelfs een crematorium van DELA openen.”


Jij bent van de scherts, wat is dat eigenlijk?

“Humor die geen pijn doet. Het woord staat in verband met gekscherend. Het maken van terloopse opmerkingen die niet de bedoeling hebben iemand te kwetsen. Vroeger had je zelfs handboeken die de kunst van het schertsen onderwezen. Mannen mochten dat, vrouwen niet. Godfried Bomans was daar een meester in. Hij kon met verve schertsen. Mijn volgende boek zal gaan over scherts.”

Restaurant Olijf is in de hele streek bekend om een nagerecht dat niet op de kaart staat: vanillesoufflé. Het moet een dag van tevoren worden besteld. Dit hoogstandje combineert uitstekend met een Sweet Heart, een honderd procent sauvignon blanc, ook weer uit de Palts.

Je fascinatie voor fietsen is ook taalkundig van aard?

“Men weet nog steeds niet zeker waar het woord ‘fiets’ vandaan komt. Twee Vlamingen menen dat het verband houdt met ‘vize’, het Duitse equivalent van ‘vice’. In de taal kan dat schertsend gebruikt worden voor ‘Ersatz’ of ‘vervanging’, zoals in vicevoorzitter. Een fiets moet dan worden gezien als een ‘Vizepferd’, een vervanging voor een paard. Dat is dan tevens de verklaring voor de aanduiding ‘stalen ros’. Zoals automobiel werd verkort tot auto, zo werd Vizepferd later ‘Viez’, en in het Nederlands ‘fiets’.

“In opdracht van Thomas Rap werk ik aan een boek dat De Ronde van Brabant gaat heten, de provincie bekeken vanaf de fiets. Dat wordt weer een fraai boekje. Op een fiets kun je heerlijk filosoferen. En zo koersen we af op de honderdste titel. Ik kom mijn dagen wel door.”

Restaurant Olijf ligt midden in het schilderachtige Nuenen, vier panden verwijderd van de pastorie waar Vincent van Gogh ooit woonde. De 120 zitplaatsen zijn verdeeld over kleine ruimtes, zodat de sfeer intiem is. Het echtpaar Eric en Nanette Kruitwagen staat garant voor een gastvrij onthaal en een uitstekende keuken. Dat alles voor een uiterst aangename prijs. De meeste bezoekers komen voor de culinaire prestaties, maar ook de plaatselijke bevolking weet dat je er voor een simpele lunch welkom bent. En dat vlak bij de plaats waar Van Gogh in 1885 zijn Aardappeleters schilderde. De mensen op dat schilderij lijken te bonkig om waar te zijn. Toch eet anno 2011 in dit etablissement een man die wel een nazaat moet zijn van de man links op dat doek. Olijf is zeer de moeite waard en verdient achtenhalf HP’tjes.