Het zal je ma maar wezen

De meeste ouders willen dat hun kind het verder schopt dan zijzelf. Maar wat als je als arbeiderskind advocaat of professor wordt, en je je schaamt voor je tokkie-familie? ‘Ik wilde niet dat anderen zagen in welke straat we woonden.’

De vader van advocaat Mirella (33) uit Amsterdam is vrachtwagenchauffeur en haar moeder is receptioniste bij een zorginstelling. Mirella is de enige in het gezin die heeft gestudeerd. Thuis kan ze niet over haar werk praten. Zodra ze dat doet, reageren haar ouders: “Laten we het over iets leuks hebben. Nieuwe schoenen? Waar heb je die gekocht?”

Mirella is door haar ouders eerder ontmoedigd dan gestimuleerd om naar de universiteit te gaan. Zij vinden ‘studiebollen’ maar vreemd volk. Thuis wordt plat Amsterdams gesproken. “Ik vervreemdde van mijn ouders,” zegt Mirella. “Ze hadden geen idee meer wat ik aan het doen was en wat me bezighield. Misschien voelen ze zich wel een beetje minderwaardig als ik vertel wat ik meemaak. In hun ogen gebruik ik dure woorden, en ik merk dat ik anders ga praten als ik bij ze op bezoek ben, want ik heb geen zin in opmerkingen over mijn nette taalgebruik.”

Toen Mirella op een dag vertelde hoe veelze verdient, sloegen haar ouders steil achterover. “Daarna kwamen ze met opmerkingen als: ‘Ik heb een mooie jas gezien, wil jij die voor me kopen?’ Cadeautjes krijg ik sinds die tijd niet meer. En als er iets in de familie geregeld moet worden, kloppen ze bij mij aan. Of ik kan bellen en zeggen dat ik advocaat ben, of een brief wil sturen. In het begin deed ik dat nog, maar nu voel ik me niet meer geroepen om ze uit de brand te helpen. Ze zijn er ook niet echt voor mij geweest.”

Mirella’s studie- en loopbaankeuze heeft de verhoudingen binnen het gezin op hun kop gezet. “Ik schaam me voor hun gedrag, en ik denk dat ze zich ook voor mij schamen. Waarom zouden ze anders vervelende opmerkingen maken over mijn taalgebruik?”


Student David (25) uit Delft herkent die ervaringen. “Mijn vader vond het geen goed idee dat ik naar het ‘elitaire’ gymnasium ging. Hij was bang dat mijn zusje en ik last zouden krijgen van de sociale druk. Een grote auto en wintersportvakanties kon hij niet betalen. Zijn zorg was enigszins terecht. In het begin fietste ik om, want ik wilde niet dat de andere kinderen zagen in welke straat we woonden. Dan fietste ik een stuk met ze mee, de verkeerde kant op, en erna reed ik stiekem in m’n eentje terug.”

Uit de studie Voorbestemd tot achterstand? van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat 93 procent van de kinderen die in 1985 in een gezin woonden dat als ‘arm’ werd aangemerkt, in 2008 dat milieu was ontstegen. Uit het rapport: “Dat is consistent met de bevindingen uit ander onderzoek van SCP en het Centraal Bureau voor de Statistiek. Daaruit kwam naar voren dat slechts een klein deel van de bevolking langdurig arm is en dat de dynamiek (jaarlijkse in- en uitstroom uit armoede) groot is.” Uit een artikel van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling blijkt dat niet de afkomst cruciaal is voor het doorbreken van een leven in armoede, maar de opleiding.

De opwaartse sociale mobiliteit in onze samenleving kreeg echt vaart in de jaren zestig. “Na de Tweede Wereldoorlog, toen onze economie een grote expansie doormaakte, heeft de overheid veel maatregelen genomen om te zorgen dat iedereen kon studeren,” zegt Mick Matthys, docent aan de Universiteit Utrecht en schrijver van Doorzetters – Een onderzoek naar de betekenis van de arbeidersafkomst voor de levensloop en loopbaan van universitair afgestudeerden. “De Mammoetwet van 1968 vormt de basis: de mavo, de havo en het vwo werden ingevoerd, en ook de brugklas voor alle leerlingen, die was bedoeld om de sociale ongelijkheid te verkleinen. Ook was er sprake van het ‘Spoetnik-effect’, dat overwaaide uit de Verenigde Staten: de Sovjet-Unie had als eerste een satelliet de ruimte in geschoten, en uit jaloezie werd besloten dat het belangrijk was dat de nieuwe generatie een goede opleiding kreeg. We moesten weer een kennisvoorsprong krijgen.”


Gaandeweg werd hoger onderwijs dus toegankelijker voor veel meer mensen, ongeacht de sociale afkomst. Steeds meer kinderen uit arbeidersgezinnen gingen studeren, onder wie Anna uit Wassenaar, 55 en inmiddels psychologe. “We waren met z’n zevenen thuis, en op één na hebben al mijn broers en zussen een academische opleiding gevolgd. Mijn vader werkte in de bouw, mijn moeder was huisvrouw, we hadden weinig geld. Mijn vader wilde ons de mogelijkheid geven om te studeren, omdat hij die zelf niet had gehad. Maar het gaf wel fricties binnen het gezin. Mijn ouders zeiden gerust ‘hun hebben’, en wij mochten dat natuurlijk niet verbeteren, want dat was respectloos. Wat het extra moeilijk maakte, is dat we in Wassenaar woonden, waar de meeste kinderen uit een rijk gezin kwamen. Je zou zeggen dat mensen anders tegen je aankijken als je een hogere opleiding doet, maar dat is niet altijd positief. Mijn opa zei bijvoorbeeld eens tegen mijn vader: ‘Wanneer gaan je kinderen nou eens iets voor jou verdienen?'”

In plaats daarvan bleef Anna werken aan de universiteit. “Niet in alle situaties vertel ik wat mijn achtergrond is. Vooral vroeger niet: ik wilde niet dat mensen me er anders door zouden behandelen. Ik heb nog wel lange tijd last gehad van het gevoel dat als je voor een dubbeltje geboren bent, je nooit echt een kwartje wordt.”

‘Schaamte’ vindt Anna in dit verband een te zwaar woord. Ze noemt het eerder ‘een subtiel spel: inschatten in welke situaties je kunt vertellen over je achtergrond en in welke niet’. Ze is niet de enige. Sommige geïnterviewden zwakken in een tweede gesprek hun woorden uit het eerste gesprek af. “Nee, ‘schamen’ heb ik niet gezegd, toch? Want ik schaam me niet, hoor….” Misschien speelt hun loyaliteit naar het gezin een nog grotere rol dan gedacht: mensen schamen zich zelfs voor het schamen.


Psychiater Ivan Boszormenyi-Nagy constateerde als een van de eerste in de jaren zestig dat mensen in minstens even grote mate trouw waren aan hun (groot)ouders en nakomelingen als aan hun land. In families bestaat een diepgaande, onverbrekelijke band tussen de leden, die elkaar niet hebben gekozen maar tot elkaar zijn voorbestemd. Daarbij horen bepaalde mores en gebruiken, plichten en verdiensten, concludeerde hij.

“Ouders willen natuurlijk het beste voor hun kinderen,” zegt socioloog Mick Matthys. “Ze willen dat zij kunnen studeren zodat ze een goede toekomst hebben: advocaat of dokter kunnen worden, een beroep dat geld en status oplevert. Maar als de ouders zelf niet gestudeerd hebben, weten ze niet zo goed wat het precies inhoudt en welke veranderingen de kinderen zullen doormaken. Ze kunnen dan moeilijk advies en ondersteuning bieden binnen het gezin. Daardoor kan een proces van vervreemding optreden.”

Maar Matthys signaleert meer problemen. “Sommige ouders gebruiken hun rol om macht uit te oefenen en verwijten hun kind dat het ’t hoog in de bol heeft gekregen. Andersom weten kinderen niet meer hoe ze met hun ouders moeten omgaan, hoe ze nog kunnen delen wat ze mee-maken.”

Socioloog Abram de Swaan beschreef hoe er in arbeidersmilieus vaak een bevelsstructuur tussen ouders en kind heerst: de ouders zijn de baas en het kind gehoorzaamt. In hogere milieus is meer sprake van een overlegstructuur. Als ouders hun kind meer zeggenschap geven, leert het beter voor zichzelf opkomen. Kinderen uit hogere milieus hebben zelfs een andere lichaamshouding. De zoon van de directeur neemt vanzelfsprekend de houding aan van iemand die ertoe doet. De zoon van de bakker zal eerder een afwachtende houding aannemen, hij wacht geduldig tot iemand hem het woord geeft. De laatstgenoemde moet dus andere sociale en culturele codes aanleren, om niet buitengesloten te worden in intellectuele of rijkere kringen.


Matthys: “Wat wel opvalt is dat mensen die zijn gestegen op de sociale ladder erg professioneel zijn: ze werken harder en willen het graag goed doen. Ze zijn van ver gekomen en hebben zichzelf op een flink aantal fronten moeten overstijgen. Dat maakt ze ook sterker als ze eenmaal de arbeidsmarkt opgaan.”

“Als kind ergerde ik me aan de kleinburgerlijkheden bij ons thuis en in het dorp,” vertelt Kim (31). “Maar als student op de universiteit ergerde ik me weer aan de vaak ongegeneerde verheven houding van medestudenten. In beide werelden voelde ik me niet echt thuis.” Kim is geadopteerd en heeft drie oudere zussen. Als enige van het gezin had zij een CITO-score die goed genoeg was voor het vwo. “Mijn moeder vond dat onzin en stuurde me naar de mavo, net als mijn zussen. Het diploma haalde ik op mijn sloffen.” Via een omweg kwam ze toch op de universiteit, en inmiddels heeft ze haar bul op zak. “Ik schaam me niet voor mijn gezin, ik geloof niet dat ik tot een andere klasse ben gaan behoren omdat ik gestudeerd heb. Ik vind het wel een gemis dat ik sommige dingen nooit met mijn familie heb of zal kunnen delen. Mijn ouders namen ons bijvoorbeeld nooit mee naar musea en stimuleerden ons niet om ambitieus of creatief te zijn. Bij ons thuis was het motto: ‘Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg.’ Over kunst, literatuur en wetenschappelijke en politieke onderwerpen praten we niet.”

Sociale mobiliteit speelt ook in allochtone gezinnen vaak een belangrijke rol. De kinderen van Turkse en Marokkaanse gastarbeiders hebben het doorgaans beter dan hun ouders. Ze spreken goed Nederlands, gaan naar betere scholen en hebben meer mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Fariba Rhmaty werkt als gezins-therapeut en lid van de Nederlandse Vereniging voor Relatie- en Gezinstherapie veel met zulke gezinnen. “In Nederlandse gezinnen leidt schaamte er weleens toe dat familieleden het contact verbreken. In migrantengezinnen is dat anders: de loyaliteit is er heel groot. Maar er is zeker sprake van opwaartse sociale mobiliteit. De kinderen spreken de taal beter, gaan studeren, krijgen een relatie met iemand met een goede positie.”


“Bij migratie is er sprake van drie fasen,” legt Rhmaty uit. “Mensen van de eerste generatie zitten vaak nog in een rouwproces; de normen en waarden van het moederland blijven voor hen het allerbelangrijkste. De tweede fase is een overgangsfase. Hierin legt men de normen en waarden uit het land van herkomst naast zich neer, maar de nieuwe zijn nog niet helemaal aangeleerd. Als je gaat studeren aan een Nederlandse universiteit komt de derde fase: reïntegratie. Hierbij ontwikkelen allochtonen dezelfde normen en waarden als autochtonen.

“In veel gezinnen zitten de ouders nog in de eerste fase terwijl de kinderen al in de derde fase zitten, en dat botst. Als je als arts in het ziekenhuis werkt, kun je niet drie dagen lang met je familie het Offerfeest vieren. Jonge mensen moeten een brug zien te bouwen tussen de wereld van hun ouders en hun eigen, nieuwe wereld.”

Loyaliteit is daarbij enorm belangrijk, stelt Rhmaty. Niet-westerse gezinnen hebben een meer wij-gerichte cultuur. Niet alleen je eigen welzijn, maar dat van het hele gezin is belangrijk. Je kunt niet een rijke arts zijn terwijl je zus geen cent te makken heeft. Mensen voelen zich erg verantwoordelijk voor ouders, broers en zussen die het minder goed hebben.

Voor jongeren kunnen de verschillen wel problemen opleveren, zegt Rhmaty. “Soms zijn de eisen zo hoog in de twee verschillende werelden, dat het de jongeren niet meer lukt om eraan te voldoen. Een gevolg kan zijn dat ze bijvoorbeeld hun studie niet afmaken. Als het ze wél lukt om de studie af te ronden, zijn ze vaak erg goed in het overbruggen van de kloof. Ze kunnen van het ene op het andere moment overschakelen tussen de twee omgevingen: die van de familie en die van de nieuwe vrienden en collega’s.”


“Maar,” voegt ze toe, “precies hetzelfde ervaart een Nederlandse man of vrouw die vanuit Den Bosch in Amsterdam gaat studeren, opklimt op de sociale ladder en geen zin meer heeft om carnaval te vieren. Ook hij of zij zal zo’n brug moeten slaan.”

Matthys merkt op dat sociale stijging ook een tegenovergesteld effect kan hebben: een gevoel van trots op de eigen afkomst. “Sommigen pronken er juist mee dat ze geen boodschap hebben aan hun ‘opgeklopte’ nieuwe milieu. Ze verbloemen hun afkomst niet. Ze hebben gezien welke offers hun ouders hebben gebracht om hun studie mogelijk te maken en willen hun daarom niet verloochenen. Maar niet alleen schaamte, ook trots kan problemen veroorzaken. Sociale stijging verhoogt de druk binnen een gezin om begrip te hebben voor elkaars situatie, met alle – positieve of negatieve – gevolgen van dien. Er zijn gevallen bekend van mensen die in therapie zijn gegaan, omdat ze zich alleen voelden in hun ontwikkeling. Iemand vertelde me dat hij zijn ouders had meegenomen naar Italië op vakantie en daar met zijn vader op een terras zat, om een biertje te drinken. Het viel stil. Hij wist niet meer waar hij met zijn vader over moest praten.”

Else-Marie van den Eerenbeemt, familietherapeut en schrijfster van het boek Door het oog van de familie, werkt al jaren met de thema’s schaamte en loyaliteit in families. “Iederéén heeft zich weleens voor zijn ouders of familie geschaamd,” zegt ze. Maar die schaamte wordt volgens haar niet ingegeven door lafheid of iets anders negatiefs. “Het komt voort uit liefde. Als ik dat zeg, vinden mensen dat vaak een enorme geruststelling. Mensen kunnen zich heel lang ellendig voelen en beschaamd zijn omdát ze zich schamen. Maar je beschermt eigenlijk je familie tegen de blikken en afkeuring van anderen. Je wilt niet dat zij vernederd worden. In mijn praktijk heb ik meegemaakt dat een jongetje niet meer wilde dat zijn moeder hem van school afhaalde, hoewel zij zich daar altijd op verheugde. Ze zag er best excentriek uit, en hij wilde haar beschermen tegen het gelach en gehoon van andere kinderen. Het is pijnlijk voor kinderen als ze meemaken dan hun ouders worden uitgelachen of belaagd.”


Als je je schaamt, bekijk je je eigen familie zoals je denkt dat anderen hen zullen bekijken. Om negatieve reacties te voorkomen, neem je voorzorgsmaatregelen, soms zelfs afstand. Van den Eerenbeemt: “Als je schoonfamilie rijker of hoger opgeleid is, schaam je je misschien voor je eigen afkomst. Een man zei eens tegen me: ‘Het is de manier waarop mijn schoonfamilie tegen mijn familie aankijkt. Elke keer voel ik dat ze mij beoordelen op mijn afkomst, in plaats van op mezelf. Ik moet mijn ouders steeds verdedigen.'”

Schaamte kan tijdens de hele levensloop af en toe de kop opsteken, volgens de therapeute. “In contact met vrienden of partners kun je loyaliteit verdienen. In familie is loyaliteit vanzelfsprekend: ouders worden nooit ex-ouders. Zelf mag je zeggen dat je ze haat, of dat ze een stelletje simpele boeren zijn, maar als iemand anders dat zegt, doet het pijn, dat mag niet. Sommige mensen worden zelfs boos op hun ouders om ze te beschermen: om te voorkomen dat ze door anderen worden aangevallen. Een oudere vrouw maakte soms onwillekeurige vreemde bewegingen door een spierziekte. De dochter van die moeder verzweeg voor haar dat ze zou afstuderen, omdat ze haar moeder niet bij de uitreiking wilde hebben. Ze schaamde zich. Of: ze wilde haar moeder voor de afkeurende en afwijzende blikken van de aanwezigen besparen.”

“Zo’n probleem moet je wel oplossen,” voegt Van den Eerenbeemt eraan toe, “je kunt je familie namelijk niet echt verlaten. Want in je eigen kinderen zie je je ouders terug. Iemand vertelde me: ‘Ik heb me jarenlang tegenover mijn schoonfamilie zo erg geschaamd voor mijn eigen familie dat ik mijn ouders zelfs begon te haten. Maar nu ze dood zijn, heb ik daar spijt van.'”


‘Je ouders ontgroeien’ is een dankbare bron voor cultuur en literatuur. Bijvoorbeeld voor Nico Dijkshoorn, die Nooit ziek geweest schreef over zijn vader. In een interview in het Volkskrant Magazine zei hij over Dijkshoorn senior: “Ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken dat hij nooit heeft geweten wat ik gestudeerd heb.” En: “Hij heeft een leven lang naar mij zitten kijken vanuit een intellectueel minderwaardigheidscomplex. Daarom wilde hij op een verjaardag ook niet over Griekenland praten: hij kende het niet.”

Jessica Durlacher beschreef hoe ze vriendinnetjes niet thuis wilde uitnodigen, omdat ze zich schaamde voor haar kunstzinnige – gekke – vader. Dimitri Verhulst beschreef zijn jeugd tussen de zuiplappen in De helaasheid der dingen, en heeft zelfs met zijn familie gebroken nadat de verfilming van dat boek uitkwam; ze waren er op zijn zachtst gezegd niet blij mee. In Gerard van het Reve beroemde debuutroman De avonden komt de schaamte over zijn kaalhoofdige broer en smakkende vader uitvoerig aan bod. De broers Haye en Chris van der Heijden spraken openlijk over hun worstelingen met hun vader, die NSB’er was.

In de Britse serie Keeping up Appearances is schaamte voor de familie een bron van vermaak. Hyacinth Bucket (dat ze chic uitspreekt als ‘Bouquét’) wringt zich in de raarste bochten om haar omgeving te laten denken dat ze een vrouw van stand is. Haar zus en zwager mogen hun aftandse autootje niet eens voor de deur parkeren, want o wee als de buren dat zouden zien.

Pauline Bijster en Ivo van Woerden