Arme studenten

Voorziet de arbeidsmarkt wel in zo veel banen voor hogeropgeleiden?

De talenstudies liggen dezer dagen onder vuur. Aan de Leidse universiteit worden de richtingen Frans, Duits en Italiaans samengevoegd tot een brede bachelor Taal & Cultuur, waarna in de masterfase een specialisme kan worden gekozen, en Portugees wordt in Utrecht helemaal opgeheven. Maar de alfakant van de universiteit was al langer aan het afkalven. Bijna niemand kiest nog voor een ouderwetse studie als Frans of Duits of zelfs het vroeger populaire Nederlands. De tendens is naar brede voor-elk-wat-wils-opleidingen, omdat de meeste achttienjarigen geen flauw idee hebben wat ze later willen doen. Een bijkomend nadeel van een taal studeren is dat het beroepsperspectief wel erg duidelijk in de richting van het leraarschap wijst – iets wat de meeste studenten die net de middelbare school hebben verlaten niet aantrekkelijk voorkomt. Met de tegenwoordige boete op langstuderen kunnen beginnende studenten zich geen vergissing bij de studiekeuze meer permitteren. Begrijpelijk dat ze hun opties zo breed mogelijk houden. Niet alleen taal en cultuur, maar ook graag media erbij en een beetje psychologie. Zo dijt het aandachtsgebied steeds maar verder uit, tot het ontaardt in de wangedrochtelijke richting ‘communicatiestudies’, waaruit elk specialisme is weggefilterd. Als je dat hebt gestudeerd, heb je het hele leven te pakken en dus eigenlijk niets.

De huidige studenten zijn werkelijk niet te benijden. Als ik hun situatie vergelijk met mijn eigen studententijd in de jaren zeventig, schaam ik me. Mijn generatiegenoten konden zes of zeven jaar ruim gesubsidieerd studeren (bij sommigen liep de studietijd uit tot tien jaar) en hoefden daarvoor niet echt hard te werken, geneeskunde- en harde bètastudenten uitgezonderd.


Maar bij de alfa- en gammastudies ging het er relaxed aan toe. Er waren tijden dat ik wekelijks niet meer dan een uur of vijftien aan mijn studie besteedde en toch alles op mijn sloffen haalde. Ik had het druk met allerlei andere dingen, nuttige en minder nuttige. In het algemeen kozen studenten hun richting op pure interesse, zonder rekening te houden met wat voor werk ze er later mee zouden kunnen doen. Dat hoefde ook niet, want in die tijd ging niet meer dan vijftien procent van de jongeren naar de toen nog behoorlijk elitaire universiteit, en dat percentage bevoordeelden verdeelde zich na het afstuderen vanzelf over de beschikbare banen voor hoogopgeleiden.

Nu volgt vijftig procent van de jongeren hoger onderwijs (universiteit plus hbo) en is het voor iedereen dringen om zichzelf te onderscheiden. Hogeronderwijsinstellingen worden afgerekend op aantallen gediplomeerden. Ze willen zo veel mogelijk studenten binnenhalen en die binnen de kortst mogelijke tijd het parcours laten doorlopen. Met zulke grote aantallen studenten en een financiële prikkel op doorstroming is het geen wonder dat de kwaliteit van het onderwijs achteruitgaat. De diplomafabriek van begin 21ste eeuw is onvergelijkbaar met de elitaire tempel van wetenschap van dertig, veertig jaar geleden, waar zeker inhoudelijke begeestering heerste maar waar ook geslabakt werd, zowel door studenten als door wetenschappelijk medewerkers.

Voor de studenten van nu geldt de klemmende vraag of de toekomstige arbeidsmarkt wel voorziet in zo veel (vijftig procent!) banen voor hoogopgeleiden. Wat moeten ze kiezen, willen ze kunnen rekenen op werk? Geen talenstudie of geschiedenis in ieder geval. Het uitgeverswezen en de journalistiek glijden een helling af naar de afgrond. Een exacte studie lijkt een goede optie, omdat je altijd hoort dat de maatschappij daar behoefte aan heeft, maar het bedrijfsleven schijnt de voorkeur te geven aan uit Azië geïmporteerde techneuten die genoegen nemen met minder salaris. Zelfs biologen komen moeilijk aan de bak. Blijft over rechten, economie, psychologie, bedrijfskunde en allerhande internationale studies. Te veel diploma’s voor te weinig emplooi. Het hoger onderwijs is zo topzwaar geworden dat implosie dreigt.