Geen stijl, wel karakter

Schokkend vond Maarten van Rossem het dat hij als student in Utrecht nergens kon poffen, en voor Ingmar Heytze viel opgroeien in het katholieke Tuindorp niet mee. Een import-Utrechter en een échte over hun stad toen en nu. ‘Amsterdam is een buitenwijk van Utrecht.’

Voorafgaand aan het interview vragen we Maarten van Rossem naar zijn favoriete Utrechtse café, zodat we elkaar daar kunnen treffen. Hij stelt Polman’s Huis voor, een chique brasserie in de binnenstad, waar een aantal tafels altijd – ook ’s middags – mooi gedekt zijn, met tafelkleed, hoge wijnglazen en gepolijst bestek. Ingmar Heytze, de tweede gast, komt hier nooit, laat hij bij binnenkomst weten. Hij gebruikt voornamelijk cafés als dagelijkse werkplek. En als hij ’s avonds een café bezoekt, dan het liefst een bruine kroeg.

Buiten schijnt de zon. Dat maakt dat Van Rossem bijzonder vrolijk gestemd is. “Ik fietste langs de Maliebaan, waar de krokussen net uit de grond zijn gesprongen. Dat geeft mij een ontzaglijk genot!”

Het prille lenteweer betekent ook dat studenten massaal een kleedje zullen uitspreiden in het Wilhelminapark, een volgens de historicus minder opwekkende ontwikkeling. “Die studenten maken er zo’n onbeschrijfelijke rotzooi van,” zegt hij verbitterd. “Barbaren zijn het! Dan zitten ze daar de hele zomeravond te barbecuen en stijgen er van die rookkolommen op alsof het verdomme Amazone-indianen zijn die een pekari (navelzwijn – IdZ) aan het roosteren zijn. Ik loop elke dag door dat park, want ik woon om de hoek. Tien, vijftien jaar geleden was het nog helemaal geen mode om in het park te zitten.”

We bestellen koffie. Een alcoholische versnapering zit er op dit tijdstip, twee uur ’s middags, nog niet in. Heytze zegt geen groot drinker te zijn, Van Rossem is tien jaar geleden – toen hij aan zijn hart werd geopereerd – flink gaan matigen.

Laten we beginnen met een kleine quiz, om jullie kennis over Utrecht te testen. De eerste vraag is voor u, meneer Van Rossem.


Grinnikend: “Waar zit de knop?”

Wanneer kreeg Utrecht stadsrechten?

Van Rossem: “Tsjéminéé. Ik denk in de twaalfde eeuw, of misschien de dertiende? Laat ik zeggen: rond 1200.”

Heytze: “In 1122! Dat weet ik toevallig omdat iemand een keer een stuk per-kament onder mijn neus duwde, bestaande uit twee lijsten: de stadsrechtenverklaring en een lijst voor toltarieven, want eigenlijk was het gewoon een handelsverdrag. Daar was niets romantisch aan.”

Punt voor Heytze. Hoe hoog is de Dom?

Van Rossem: “110 meter.”

Heytze: “112.”

Het antwoord is 112 meter en 43 centimeter.

Van Rossem: “Dan heb je er een stokje o gezet.”

Hebben jullie er weleens bovenop gestaan?

Van Rossem: “In mijn jonge jaren een keer. Het zou nu mijn dood betekenen. Ik heb namelijk vreselijke hoogtevrees, maar ik vond dat ik er met mijn kinderen een keer op moest klimmen, dus ik heb mij toen bangelijk tegen de muur gedrukt, terwijl de kinderen vanaf de balustrade naar beneden keken.”

Heytze: “Ik heb de Dom drie keer beklommen, al zou ik dat nu niet meer doen. Ik heb ook aardige hoogtevrees. Waarom dan toch drie keer? Het zal wel iets met vrouwen te maken hebben gehad.”

Kennen jullie de uitdrukking ‘van achter de Dom zijn’?

Van Rossem: “Er is een straatje dat ‘Achter de Dom’ heet.”

Heytze: “Als je ‘van achter de Dom bent’, dan ben je homoseksueel. Het was vroeger een ontmoetingsplaats voor homo’s, vandaar.”

Van Rossem: “Hmmm. Een van de meest curieuze verhalen over de Dom is dat ze in de negentiende eeuw serieus hebben overwogen om de bovenste twee stukken van de toren af te breken, want daar vielen door nalatig onderhoud de hele tijd stenen vanaf. De Dom zag er toen heel armetierig uit. Maar na navraag bij een aannemer bleek dat afbreken heel duur te zijn. Toen heeft een man van wie ik de naam nu even kwijt ben, gezegd: ‘Dat kunnen we echt niet doen, de Dom afbreken.’ Hij heeft de toren vervolgens voor een habbekrats zodanig hersteld dat er geen stenen meer vanaf vielen. Maar er is dus een tijd geweest dat het gemeentebestuur bereid was om de Dom grotendeels af te breken.”


Dat is ironisch als je bedenkt dat tijdens de laatste gemeenteraadsverkiezingen in 2010 is gesproken over uitbreiding van de Dom. De stichting Herbouw Domkerk presenteerde, tot vreugde van de ChristenUnie, het plan om het middenschip van de Domkerk te herbouwen.

Heytze: “Ik ken een Utrechtse aannemer die met iemand van de gemeente had gepraat over de herbouw van dat middenschip. Hij ging, blij als hij was, naar zijn vader – van wie hij het familiebedrijf had overgenomen – en die zei: ‘Goh, interessant, dat plan.’ Vervolgens trok hij een lade met documenten open waaruit bleek dat het al vier keer eerder was voorgekomen dat iemand het middenschip wilde herbouwen. Maar het gebeurt nooit.”

Meneer Van Rossem, u bent in Wageningen opgegroeid en naar Utrecht verhuisd om te studeren.

Van Rossem: “Ik ben hier in 1962 gekomen. Een halve eeuw geleden! Maar ik hang nog steeds een beetje aan Wageningen. Een prachtige stad vind ik dat. Die ligt vooral erg mooi. Aan de Rijn en met de Wageningse Berg op de achtergrond. Waar in Nederland heb je nou nog een berg?”

Wat vond u van Utrecht toen u hier begin jaren zestig aankwam?

Van Rossem: “Absoluut niet gezellig. Een van de meest schokkende dingen vond ik dat je overal handje contantje moest betalen. Dat je niet werd vertrouwd. Dat was in Wageningen heel anders. Daar werd alles opgeschreven, alles! En dan betaalde je achteraf. Iedereen wist wie je was.”

Voelt u zich nu meer aangetrokken tot de Domstad?

Van Rossem: “Nou, je moet realistisch zijn. Er zijn delen van Utrecht waar ik nooit kom of waar ik zelden of nooit geweest ben. Voor mij bestaat Utrecht uit de binnenstad en Utrecht Oost, waar ik woon. Als je het vergelijkt met vijftig jaar geleden, dan zijn die delen enorm opgekalefaterd. Het is er veel gezelliger en levendiger. Utrecht was vijftig jaar geleden een hele gereformeerde stad.”


Heytze: “Leefde de oorlog toen nog een beetje?”

Van Rossem: “De stad is natuurlijk bezet geweest. Het hoofdkantoor van de NSB zat vanaf begin jaren dertig aan de Maliebaan. Tot voor kort was dat een enorme bouwval, nu zit er een crèche. Schuin tegenover zat de SD, waar nog martelkamers te zien zijn. En de Germaanse SS zat ook in de buurt.”

Meneer Heytze, hoe heeft u Utrecht ervaren in uw jeugd?

Heytze: “Ik ben in de jaren zeventig opgegroeid in de Utrechtse wijk Tuindorp, wat geen onverdeeld genoegen was. Er waren toen drie kerken in die contreien en mijn ouders hadden een grote CPN-poster voor het raam hangen.”

Van Rossem: “En, werden er ramen ingegooid?”

Heytze: “Zo erg was het nog net niet, maar we hoorden er niet bij. De enige basisschool in Tuindorp was een katholieke school, en mijn zus en ik gingen naar de Werkplaats Kindergemeenschap, een nogal vrije school in Bilthoven. Later, toen ik ging studeren, ben ik naar Zuilen verhuisd. Ik woonde bij Ronald Giphart om de hoek. Toen nog de enige jonge schrijver in Utrecht. Nu struikel je over de jonge schrijvers en dichters. Dat komt omdat hier de Faculteit der Letteren zit, daar hebben ze allemaal rondgelopen. Maar er trekken ook creatieve mensen naar Utrecht omdat ze het hier prettig en rustig vinden. Schrijver Arthur Japin is het beste voorbeeld. Die zegt: ik word gek in Amsterdam, ik zit liever hier. Dat vind ik een leuk uitgangspunt, dat mensen de schaduw opzoeken. Utrecht is een soort oase.”

De kleinschaligheid van Utrecht spreekt ze aan.

Heytze: “Ja, dat is het leukste aan de stad. Het kan ook benauwend zijn, hoor. Maar voor een man als ik is grootschaligheid uiteindelijk benauwender dan kleinschaligheid. Ik heb nooit de ambitie gehad om te verhuizen. Alhoewel ik nog weleens denk: een paar Amsterdamse jaren zou leuk zijn.”Van Rossem: “Dan kun je net zo goed meteen naar Rome gaan, of naar Parijs. Amsterdam is gewoon een buitenwijk van Utrecht.”


Heytze: “Ik hoor vaak van mensen van voor mijn tijd dat Utrechters een stuk vriendelijker zijn geworden voor mensen van buiten de stad.”

Van Rossem: “Zeker. Neem die regels van de dichter Hendrik Marsman, die aan het einde van de Korte Nieuwstraat op een plaquette aan de muur te lezen zijn: ‘Geen stijl, maar des te meer karakter heeft de stad…’

Heytze: “‘… Een harde en benepen eigenzinnigheid, die zich de maat van alle dingen waant.’ Ja, dat was Marsman en dan heb je het over drie, vier generaties terug.”

Van Rossem: “Maar het hing ook nog wel een beetje in de lucht toen ik in 1962 in Utrecht terechtkwam. Ik betrok toen een studentenkamer bij een hospita, in de Kievitdwarsstraat. Die straat is nu helemaal ver-yupt, maar was in mijn tijd nog diep deprimerend. Ik keek uit op van die kleine, smoezelige tuintjes met wrakken van wasmachines die waarschijnlijk in de oorlog defect waren geraakt.”

Utrecht is ver-hipt.

Van Rossem: “O ja, Utrecht is écht een totaal andere stad geworden. Alleen al die enorme horeca. Vroeger had je bij mij om de hoek alleen Café Primus. De horeca begint nu als een schimmel buiten de singels te groeien.”

Heyzte: “Catering, speciaalzaken, sushibars.”

Van Rossem: De grootste zegen die een stad kan hebben, is een universiteit met studenten die wat te besteden hebben. Vroeger zaten ze allemaal op die suffe sociëteit, maar nu zijn studenten uitgezwermd over de hele stad. Dat bepaalt de levendigheid.”

Het feit dat Utrecht een studentenstad is, maakt ook dat veel inwoners die student af zijn de stad uittrekken. Ze voelen zich er niet meer thuis.


Heytze: “Dat gevoel had ik niet. Na mijn studie ben ik het uitzendwerk en de schrijverij ingegaan. Ik leef nog steeds ongeveer als een student, behalve dan dat ik het nu wat drukker heb en niet meer naar college moet.”

Van Rossem: “Ik ben hier blijven hangen omdat ik aan de universiteit ben gaan doceren. Maar te oud heb ik mij nooit gevoeld. Ik ben ook vrij lang een actieve horecabezoeker geweest in Utrecht.”

Waar ging u heen?

Van Rossem: “Meestal naar filmhuis ’t Hoogt, waarvan ik jarenlang bestuurslid ben geweest. Dat hield onder meer in dat ik voor zestig gulden per maand gratis mocht drinken. Andere bestuursleden maakten dat geld nooit op, dus daar heb ik handig gebruik van gemaakt. ’t Hoogt ging meestal rond een uur of twee al dicht en dan liep ik op weg naar huis nog weleens Polman’s binnen, totdat ik Café de Vooghel ontdekte, want dat was open totdat de barman had besloten dat het nou wel mooi was geweest. En dat besloot hij pas op het moment dat de laatste drinker het pand had verlaten.”

En dat was u.

Van Rossem: “Juist.”

U zat destijds bij het Utrechtsch Studenten Corps. Hoe was het corporale leven?

Van Rossem: “Ik was feut nummer 150. Bij aanvang werd mijn haar eraf geschoren. Daar heb ik me later nog tegen verzet, tegen dat kaalscheren van feuten, zonder resultaat overigens. Ik was verder een heel gewoon lid, ik heb mij altijd fatsoenlijk gedragen.”

Zat u bij een studentenvereniging, meneer Heytze?

“O nee, ik begon in ’88 aan de Faculteit der Letteren en als je dan lid zou zijn van het Corps, dan pleegde je sociale zelfmoord. Veritas, Biton, alla, maar het Corps…”


Van Rossem: “Dat was bij mij net zo goed, hoor. Ik heb de eerste vier maanden in Utrecht farmacie gestudeerd, wat mij bepaald niet op het lijf geschreven was. Toen ik switchte naar geschiedenis was mijn haar alweer aangegroeid tot de normale jaren zestig-lengte, dus niemand wist dat ik lid was van het Corps.”

De fotograaf komt binnen en vraagt Van Rossem en Heytze plaats te nemen tegenover elkaar en gewoon door te praten. Dat doen ze, over vrouwen.

Heytze: “Utrecht is een vrouwenstad, dat is fantastisch! Op de Faculteit der Letteren was tachtig procent vrouw en twintig procent man.”

Van Rossem: “In mijn jaar zaten maar drie meisjes. De een hing al snel haar studie aan de wilgen omdat ze achter de kassa van een bioscoop aan de slag ging, en de andere twee raakten in no time verloofd en zijn nooit afgestudeerd. Dan zie je maar weer; het was een hele andere tijd.”

Utrecht telt niet alleen relatief veel vrouwen, uit recent onderzoek blijkt ook dat in de regio van Utrecht bijna evenveel uitgeprocedeerde asielzoekers zijn als in de regio’s Amsterdam, Rotterdam en Den Haag samen.

Van Rossem: “Dat heeft waarschijnlijk te maken met het enorme succes van de stad die onder meer wordt bepaald door de mix aan mensen en de lage werkeloosheid. Immigranten worden natuurlijk aangetrokken door de mogelijkheid om te werken.”

Heytze: “Utrecht is een pleister- en doorgangsplaats. Het succes van Utrecht gaat, vervelend genoeg, ook hand in hand met het enorme economische succes van winkelcentrum Hoog Catharijne. Het feit dat er hele volksstammen nog nooit in de binnenstad van Utrecht zijn geweest, maar wel in Hoog Catharijne, zegt genoeg. Het is jammer genoeg erg lelijk. Nu het verbouwd wordt, kan het alleen maar minder lelijk worden.”


Van Rossem: “Ze hadden die tientallen miljarden beter kunnen besteden aan het afbreken van de twee gevelwanden die ze tussen de oude binnenstad en het station hebben gezet, zodat het weer natuurlijk op de stad aansluit. Vroeger stond er een heel leuk station, met een golvende voorgevel en een soort laat negentiende-eeuws stationsplein met typische gebouwen uit die tijd. Dat is allemaal vernietigd. Typisch voor de jaren zestig.”

Ook typisch voor de jaren zestig: de Neudeflat, de 57 meter hoge betonnen kantoortoren tegenover het bekendste plein van Utrecht, Neude.

Van Rossem: “Het gedrocht van de stad. Dat is nou echt stadsvernietiging! Het is een rijksmonument, dus de kans dat het weggaat is nul komma nul. Het ontwerp is van Maaskant, een heel beroemde architect.”

Heytze: “Het is vooral een planologische kwestie: wie besluit er nou om op zo’n plek in de stad – tien meter verderop heb je de oudste stedenbouw van Utrecht, waaronder het stadskasteel Drakenburg – zo’n flat neer te zetten?”

Utrecht is wat dat betreft ook een beetje conservatief. De geplande 262 meter hoge Belle van Zuylen-toren, bestemd voor onder meer woningen, kantoren en winkels (en die uiteindelijk niet doorging), riep twee jaar geleden enorme weerstand op onder Utrechters, omdat niets in de omgeving hoger mocht zijn dan de Dom.

Heytze: “Ik had het weleens willen zien. De Belle van Zuylen-toren zou een roteind de polder in worden gebouwd, want naast de Neudeflat was geen plaats. Het was dus vooral een probleem geweest als je in het dorp ernaast had gewoond, want dan had je dagelijks schaduw gehad van die toren.”


Van Rossem: “Het probleem was ook dat je ‘m in een enorme cirkel daaromheen kon zien. In Leeuwarden hebben ze ook zo’n malloot van een toren. In de godganse provincie kun je daar die roodgloeiende penis zien. Die zouden ze moeten afbreken.”

Aan het eind van het gesprek komen we nog even over de schoonheid van de omgeving van Utrecht te spreken. Heytze fietst graag, vertelt hij. “Naar Wijk bij Duurstede, of naar Amerongen.” Van Rossem houdt meer van wandelen, door de Langbroekerwetering bijvoorbeeld.

“Utrecht ligt heel mooi,” verzucht Heytze.

“Ja, het ligt wel mooi,” beaamt Van Rossem. “Maar niet zo mooi als Wageningen.”

Irene de Zwaan