Hervormen, nu!

Nederland staat op het punt zijn geloofwaardigheid te verspelen.

De eurocrisis was even bevroren, maar niet bezworen, zo blijkt. De Spaanse rente loopt weer op, en de financiële markten lijken Portugal in het vizier te hebben als het volgende Griekenland. En nu beginnen buitenlandse waarnemers ook het vertrouwen in Nederland te verliezen.

Nederland zakt langzaam weg uit de kopgroep van eurolanden. Kredietbeoordelaar Standard & Poor’s liet in december al weten dat het Nederland weliswaar nog tot het selecte groepje van Triple-A landen rekent, maar zich ook zorgen maakt over de vraag of Nederland de benodigde bezuinigingen wel kan ophoesten. En sinds afgelopen vrijdag rekent Citigroup Nederland niet meer tot de ‘kernlanden’ van Europa, met een gezonde financiële moraal en structuur.

Op de kapitaalmarkten liep de reputatie van Nederland de afgelopen maanden een flinke deuk op. De Nederlandse rente stijgt en loopt zo langzaam weg van de Duitse, een slecht teken. Duitsland is zo langzamerhand in z’n eentje het hart van Europa als het om financiële stabiliteit gaat.

Citigroup maakt zich onder meer zorgen over het Nederlandse overheidstekort. Het is immers nog steeds onduidelijk of we, na een jarenlange grote mond over begrotingsdiscipline, volgend jaar zelf de drieprocenteis halen. Die EU-eis stelt dat het begrotingstekort niet groter mag zijn dan drie procent.

De financiële markten vinden dat Nederland moet bezuinigen. Waarom eigenlijk? Hoe zinnig is die drieprocenteis? We zitten in een regelrechte crisis; dan kunnen we toch wel iets meer tijd nemen om aan de norm te voldoen? Beschadigen we onze economie niet als we nu keihard gaan ingrijpen?


Allemaal waar. Een Europese norm voor financieringstekort is net zo dom als een norm voor maximaal gewicht voor Europese burgers. Het ene land is het andere niet, en de snelheid waarmee je naar zo’n norm kunt en moet toegroeien, hangt ook nogal af van de omstandigheden. ‘Drie procent en morgen graag’ is dus een raar uitgangspunt. Toch doet Nederland er goed aan zich er wel aan te houden.

Dat zit zo. Ook voor Nederland is een tekort van drie procent geen maatwerk. Het is niet een te strenge, eerder een te slappe eis. Rekening houdend met de vergrijzing had Nederland allang een overschot op de begroting moeten hebben, zo rekende het Centraal Planbureau een paar jaar geleden voor. Nederland schuift nog steeds ongedekte rekeningen door naar jongere generaties.

We moeten naar een plus, dus. Daarvoor moeten we eerst terug naar die drie. Of dat per se in één jaar moet? Op het eerste oog lijkt hier wederom geen reden toe: een geleidelijk pad is altijd beter dan schoksgewijze aanpassing. Toch zijn de financiële markten niet gek als ze daadkracht eisen. Markten draaien om vertrouwen, en achter dat vertrouwen gaat wel degelijk economische logica schuil. Als het braafste jongetje van de klas aan het puberen slaat, aan de drugs gaat of om andere redenen geen zin meer heeft in hard werken, ziet de toekomst er ineens heel anders uit.

Vertrouwen, kortom, speelt terecht een rol in de economische theorie. En de financiële markten beginnen het grote vertrouwen dat ze hadden in Nederland, te verliezen. Ze twijfelen aan de identiteit van Nederland. Waar staat het land financieel voor, vragen ze zich af.


Is dat terecht? Wellicht. Niet alleen de linkse oppositie, die tot voor kort nog zulke klare taal sprak over Griekenland, roept steeds luider dat harde bezuinigingen taboe zijn. Ook voor gedoogpartner PVV liggen veel maatregelen gevoelig. En het rechtse kabinet laat sinds zijn aantreden na hervormingen door te voeren die nodig zijn om de economie structureel te verbeteren.

Die zorgen van de markten deel ik dus wel. Het gaat mij – en hen, gok ik – er niet om exact op drie procent uit te komen, maar wel dicht in de buurt. En het gaat er vooral om een geloofwaardig pakket neer te leggen, niet alleen van bezuinigen, maar ook van hervormingen. Een pakket dat laat zien dat Nederland zijn economische ontwikkeling serieus neemt. Kabinet en gedoogpartners onderhandelen naarstig over maatregelen. Ik kan niet wachten tot de deur van het Catshuis opengaat.