Pistool in de magnetron

Een dood zusje, een vreemde misdaad, een broeierige ontmoeting, een raadselachtige inbraak. Bert Natter stapelt mysterie op mysterie. Onvervalste chicklit.

Hoofdpersoon Maria kotst wat af in Hoe staat het met de liefde?, en daar kun je je iets bij voorstellen: het moet niet meevallen om zo’n reeks clichés in de mond gelegd te krijgen. Het vreemdste is misschien nog wel dat Bert Natter in zijn tweede roman ongeëvenaard kitscherige passages afwisselt met mooie, scherpe observaties. Alsof hij je eerst over je nek laat gaan en je daarna een pepermuntje aanbiedt.

Maria Hinckelbein, begin dertig, is ongelukkig in de liefde. Ze is mooi, zo wordt ons verschillende keren verzekerd, ze is intelligent, fantastisch in bed en enorm beschikbaar. Maar het wil maar niet lukken, een lange relatie. En iedereen valt haar daarover lastig.

Ondertussen, hoewel het al zo’n twaalf jaar geleden is, worstelt ze met het overlijden van haar zusje, en haar – al dan niet ingebeelde – rol daarin. De traumatische herinneringen worden getriggerd door een bizarre schietpartij in Maria’s woonplaats, het criminele broeinest Baarn.

Een week na de schietpartij loopt ze een beroemde schrijver tegen het lijf. Allard Wiggel. Maria hoopt dat hij misschien iets kan doen aan haar onsuccesvolle liefdesleven, maar van het begin af aan is het duidelijk: deze vent is slecht nieuws. Wiggel neemt haar mee naar het huis van zijn vader, er blijkt ingebroken, en Maria vindt een pistool in de magnetron. Altijd een afknapper op eerste dates.

We zijn dan nog niet eens op een tiende van het boek. Een dood zusje, een vreemde misdaad, een broeierige ontmoeting, een raadselachtige inbraak. Natter probeert je meteen in zijn verhaal te sleuren. Op zichzelf geen slecht idee, maar door mysterie op mysterie op mysterie te stapelen wordt het hier eerder kluchtig dan spannend of aangrijpend.


Natter werkt het hele boek toe naar de antwoorden op de grote vragen die hij aan het begin oproept, vragen die stuk voor stuk te herleiden zijn tot: wat is er nou precies gebeurd?

In plaats van antwoorden te geven, of juist bewust niet, wordt het hele mysterie rondom de schietpartij en de inbraak tot een toevallige vergissing gereduceerd. Eigenlijk was er vrij weinig aan de hand, blijkt. Een bizarre samenloop van omstandigheden. Het heeft iets haastigs, alsof de schrijver zich vlak voordat het boek naar de drukker moest opeens realiseerde dat er een paar belangrijke vragen open stonden.

Het thrillerachtige begin lijkt weinig meer dan een onhandige, doorzichtige manier om spanning op te roepen. Als het daar nou bij bleef. Maar veel meer stukken in de roman doen nogal bedacht aan. Met als dieptepunt de dialogen. Grappig, gevat, flirterig. Dat zal althans de bedoeling zijn geweest. Maar die bedoeling druipt van elk zinnetje af. Hier bijvoorbeeld, ongeveer het eerste gesprek tussen Maria en Allard Wiggel:

“‘Het moest zo zijn dat wij elkaar hier tegenkwamen, denk je niet?’

‘Oké, doen we één biertje in de kroeg,’ zeg ik, ‘en dan is het vaarwel. Van mijn moeder mag ik niet met…’

‘Ik weet wat stoute meisjes als jij niet van hun moeder mogen.'”

Dit is niet vlot of scherp, dit is gemaakt vlot of scherp, wat zo ongeveer het tegenovergestelde is. Er staat nog net geen knipoogsmiley achter de zinnen.

Die Wiggel moet trouwens wel het meest onuitstaanbare personage sinds tijden zijn. Pedant, egocentrisch, elk gesprek brengt hij binnen een paar zinnen op zijn boeken. Apenverdriet, heet zijn meest recente werk – zo mogelijk een nog slechtere titel dan Hoe staat het met de liefde?


‘Personage’ is eigenlijk een te groot woord voor Wiggel. Het is een karikatuur van een mysterieuze schrijver, maar noch dat mysterieuze, noch dat schrijverschap wordt ook maar een moment geloofwaardig. Op een onbewaakt moment, na een geile nacht in een hotel, ziet Maria hem huilen omdat de verfilming van Apenverdriet beter was dan het boek. Huilen! Om een boekverfilming! Het staat er echt.

Natters tweede bevat veel van zulke onbedoeld lachwekkende passages, nu en dan afgewisseld met rake zinnen, zoals hier, als Maria terugdenkt aan haar ontmaagding: “Jaap komt klaar. Hij rolt van me af. Verlaat me.” Of hier, iets verderop: “Hij bukt zich. Hij zoekt zijn kleren bij elkaar. Hij trekt zijn hawaï-shirt onder mijn billen vandaan. Hij kleedt zich aan alsof hij in de kleedkamer van het gymlokaal staat.” Simpel, doorleefd en pijnlijk, veel effectiever dan de vette pathetische aanpak. Raar dat deze schrijver ook zinnen produceert als deze: “Met alleen een handdoek om sta ik voor de open deuren van het balkon aan de achterkant van mijn huis te huiveren. Geen sterren. Geen maan. Geen man.”

Het zelfmedelijden, de moddervette ironie, de belegen, zogenaamd scherpzinnige woordspelingen, de soapachtige ontwikkelingen, de ietwat lachwekkende seksscènes, het mierzoete laatste hoofdstuk: al met al is Hoe staat het met de liefde? onvervalste chicklit. Toch ook een prestatie, op een bepaalde manier.

Bert Natter: Hoe staat het met de liefde? Thomas Rap, €19,90. Ook via ako.nl.

Dries Muus