Het scheve Torentje van Rutte

Bijna gaf vorige week het zesde Nederlandse kabinet op rij voortijdig de geest. Wordt het dus niet eens tijd om, behalve de woningmarkt en de arbeidsmarkt, ook ons wankele politieke bestel te hervormen?

Nee, het is nog altijd geen datum die in ons collectieve geheugen staat gegrift. Maar dat neemt niet weg dat er – zeker op en rond het Binnenhof – wel degelijk een goed excuus bestaat om af en toe even terug te denken aan maandag 3 augustus 1998. Inderdaad, dat is alweer bijna veertien jaar geleden. Om de gedachten wat nader te bepalen: Mark Rutte was toen nog personeelsmanager van Calvé te Delft, Diederik Samsom voerde campagne voor Greenpeace, Alexander Pechtold was wethouder te Leiden en Emile Roemer stond nog gewoon voor de klas in zijn geliefde Boxmeer.

Waarom 3 augustus 1998 het waard is om te worden gememoreerd? Omdat koningin Beatrix die dag officieel ontslag verleende aan het eerste (paarse) kabinet-Kok. Dat kabinet was aangetreden op 22 augustus 1994 en had dus – hoewel het sinds de Kamerverkiezingen van 6 mei 1998 demissionair was – de volledige zittingstermijn van vier jaar uitgediend.

Destijds werd dat niet beschouwd als een zeer bijzondere prestatie. Ook veel voorlopers van het eerste kabinet-Kok hadden de rit immers keurig uitgezeten. Neem het eerste kabinet-Van Agt (1977-1981) of het eerste (1982-1986) en het derde kabinet-Lubbers (1989-1994). Na 3 augustus 1998 kwam daar echter rigoureus verandering in. Sindsdien is het namelijk geen enkele regeringsploeg meer gelukt om de zittingstermijn van vier jaar vol te maken.

Ter opfrissing van het geheugen: Kok II struikelde – in het zicht van de haven – over het NIOD-rapport inzake Srebrenica (april 2002), Balkenende I bezweek aan de perikelen binnen de LPF (oktober 2002), Balkenende II viel over Ayaan Hirsi Ali en Rita Verdonk (juli 2006), Balkenende III was een rompkabinet en Balkenende IV begaf het bij gebrek aan eensgezindheid over de Nederlandse militaire missie in Uruzgan (februari 2010).


Van een land dat in de jaren tachtig en negentig nog kon bogen op een traditie van stabiele coalitieregeringen werden we zo een natie met een uitgesproken grillige en wiebelige politieke reputatie. Het aantreden, in oktober 2010, van het minderheidskabinet-Rutte en de bijna-crisis van vorige week kunnen – het behoeft nauwelijks betoog – niet echt worden beschouwd als gebeurtenissen die duiden op een rentree van de stabiele verhoudingen van weleer.

Om eventuele misverstanden te voorkomen: stabiliteit kan in een democratie nooit het enige criterium zijn bij het beoordelen van de kwaliteiten van het openbaar bestuur. Wie enkel en alleen prijs stelt op bestendigheid en rust zal immers altijd beter af zijn in een dictatuur of een eenpartijstaat. Maar het gegeven dat vorige week, onder een zeer donker economisch gesternte, bijna het zesde Nederlandse kabinet op rij – rompkambinet Balkenende III meegeteld – voortijdig de geest gaf, zou ons wel aan het denken moeten zetten. Is effectief regeringsbeleid, met name op financieel en sociaaleconomisch terrein, zo nog wel mogelijk? Of zou, behalve de arbeidsmarkt en de woningmarkt, ook ons politieke bestel nu eindelijk eens hervormd moeten worden om zo beter bestand te zijn tegen de eisen van de eenentwintigste eeuw?

Veel Nederlanders volgen momenteel met belangstelling de campagne voor de Franse presidentsverkiezingen. Zoals bekend gaan in november ook de Amerikanen naar de stembus om een nieuwe president te kiezen.

In Nederland hebben we het heel anders geregeld. Hier kennen we – als het om het landsbestuur gaat – alleen verkiezingen waarbij we een nieuwe volksvertegenwoordiging kiezen. We mogen dus wel rechtstreeks bepalen wie de macht controleert, maar we hebben – anders dan de Fransen en de Amerikanen – geen stem om te bepalen wie de macht krijgt.


Dat ‘ingebouwde’ democratisch tekort van het Nederlandse systeem viel in het verleden nog wel te verdedigen. Want met een beetje goede wil viel uit de uitslagen van onze parlementsverkiezingen altijd wel een soort ‘afgeleid’ mandaat voor een minister-president te destilleren. Door de ongekende versnippering van het Nederlandse electoraat is dat echter steeds moeilijker geworden. Voorlopig dieptepunt: bij de Kamerverkiezingen van juni 2010 bleek het mogelijk om met slechts 20,5 procent van de stemmen ’s lands grootste partij te worden. Nergens anders in Europa kan dat. De uitslag leverde Mark Rutte zijn baan in het Torentje op. Maar misschien was er ook bij hem wel sprake van enige twijfel: democratische legitimiteit verschaffen aan het belangrijkste politieke ambt dat we in Nederland kennen, moet dat nou zó?

Of de Fransen op 6 mei de voorkeur zullen geven aan Nicolas Sarkozy of aan zijn linkse opponent François Hollande, en of de Amerikanen op 6 november zullen gaan voor Barack Obama of voor zijn (vermoedelijke) rechtse uitdager Mitt Romney – er is niemand die het weet. Maar wat wél vaststaat is dat zowel in Frankrijk als in de Verenigde Staten het roer van het schip des staats wederom in handen zal vallen van iemand met een ruim en rechtstreeks mandaat van de kiezer. Iemand ook die, juist omdát hij dat mandaat heeft weten te verwerven, vier of (in Frankrijk) vijf jaar lang op zijn post mag blijven, calamiteiten uitgezonderd.

Ook het in politiek opzicht zo wankel geworden Nederland zou baat hebben bij een dergelijke constructie. Niet omdat het ons in alle gevallen voor politiek onheil zal behoeden. Wel omdat er dan onder het Torentje een steviger, door de kiezers aangelegd fundament komt te liggen dat niet meer automatisch verzakt als er elders in politiek Den Haag stampij wordt gemaakt.


En dus moeten de voorstanders van premiersverkiezingen maar weer eens tevoorschijn komen. Om te beginnen D66, dat het idee al bij de oprichting van de partij omarmde. Maar ook de PVV, waarvoor hetzelfde geldt. En wat te denken van de VVD? Sommige liberalen zouden het graag vergeten, maar de algemene vergadering van de partij sprak zich in mei 2005 met een nipte meerderheid (287 tegen 273 stemmen) uit vóór een rechtstreeks gekozen minister-president.

D66, PVV en VVD: dat is bij elkaar opgeteld 65 Tweede Kamerzetels. Inderdaad: nog lang niet de tweederde meerderheid die nodig is om premiersverkiezingen te verankeren in de grondwet. Maar toch, het is een begin. En laten we ook dat mooie, doorgaans aan Victor Hugo toegeschreven citaat niet vergeten: “Niets is sterker dan een idee waarvoor de tijd gekomen is.” Het zou heel goed kunnen dat we dat moment suprme inmiddels zéér dicht zijn Genaderd.

Roelof Bouwman