Kind van de rekening

Uilskuiken van de week: Steven de Jong

Eerst wist ik niet wie Steven de Jong was. Daarna bleek ik hem toch te kennen: hij speelde een rol in Spijkerhoek, een Hemeltergende tv-serie die eind jaren tachtig door Veronica werd uitgezonden. De Jong was niet die malloot op die crossmotor (dat was Wilfred Klaver) of nepgangster Tony (dat was Joep Sertons). Hij was die taxichauffeur die je vanwege zijn boerse accent vrijwel niet kon verstaan.

Na Spijkerhoek, en een eerder rolletje in Zeg ‘ns Aaa, waarin hij van een ladder moest vallen, begon de in 1962 in het Friese Scharsterburg geboren De Jong zelf films en televisieseries te bedenken en te produceren. Kortstondig werkte hij mee aan Westenwind en Onderweg naar morgen (nog twee van die hoogtepunten uit de vaderlandse televisiegeschiedenis), maar het liefst hield hij zich met Friese onderwerpen bezig.

Hij bedacht series als Van Jonge Leu en Oale Groond (2005), Baas Boppe Baas (2005) en de film Snuf de Hond in oorlogstijd (2007). Hij verfilmde De schippers van de Kameleon (2003), waarin hij zelf vader Klinkhamer speelde, en De scheepsjongens van Bontekoe (2007), waarin hij de rol van Klaas Hajo op zich nam.

Met De hel van ’63, een film over de Elfstedentocht, had zijn naam definitief gevestigd moeten worden. Het liep anders: de film werd vernietigend besproken (‘Klungelig scenario, oubollige dialogen, zwak acteerwerk en vreemde regiekeuzes’ schreef NRC Handelsblad) en acteurs en andere medewerkers richtten een belangenvereniging op om hun nooit uitbetaalde honorarium op te eisen.

De belangenvereniging wilde weten wat er was gebeurd met de 1,9 miljoen euro die het Nederlands Fonds voor de Film had toegekend aan De Jong. Want behalve op honoraria was er ook fiks bezuinigd op materiaal en aankleding van de film. Acteurs hadden Viking-schaatsen uit 2009 aan hun voeten, auto’s uit de jaren tachtig kwamen in beeld en moderne verkeersborden waren niet goed afgeplakt. Tijdens de opnames werd De Jong daarop gewezen. Die zei dan: “Ach, maak je niet zo druk, dat ziet toch niemand.”


De Jong ging vrolijk verder met nieuwe projecten. Onder meer zocht hij contact met Patrick van Rhijn, die de voogdij over zijn dochter verloor en daarover het autobiografische boek Weg van Lila schreef (ik las de voorpublicatie op internet en die doet bepaald niet naar meer verlangen).

Vorige week vertelde Van Rhijn in NRC Handelsblad hoe de onderhandelingen met De Jong verliepen: “Hij bood me één euro voor de optie om het boek te verfilmen en drieduizend euro als de verfilming door zou gaan. Dan zou ik verder moeten afzien van alle rechten, ook als de film een hit zou worden.”

Van Rhijn weigerde, waarop De Jong besloot zelf een script te schrijven. Janey, kind van de rekening zou de film gaan heten.

Dat script, zo oordeelde de rechtbank in Leeuwarden vorige week, komt op 37 punten overeen met Weg van Lila en een ander boek van Van Rhijn.

Intussen had De Jong vijfduizend meisjes gecast en een hoofdrolspeelster uitgekozen: de achtjarige Aiko beemsterboer, die al maanden aan het repeteren was. Per direct moet De Jong met de productie van de film stoppen, bepaalde de rechter. Als hij toch doorgaat, moet hij Van Rhijn tienduizend euro per dag betalen, tot een maximum van tweehonderdduizend euro.

De Jong was zo boos dat hij een uur lang tegen een boom aan heeft staan trappen. De rechter had er ‘geen reet’ van begrepen, verklaarde hij. Voor hem heeft Nederland afgedaan. Hij zal zijn bedrijf verkopen en emigreren.

De uitspraak van deze rechter valt te prijzen. Het gaat er niet om of De Jong wel of niet plagiaat heeft gepleegd. Het gaat erom dat de Nederlandse filmindustrie van een charlatan is verlost.