De ziel

Het is eigenlijk net als met Sinterklaas. Die bestaat ook gewoon.

Het is weer de Maand van de filosofie, en dit jaar is zowaar ‘de ziel’ tot thema uitgeroepen. De ziel, die al enige tijd een marginaal bestaan leidde in het domein van religie en spiritualiteit, leek met de opkomst van het wij-zijn-ons-brein-denken de genadeklap te hebben gekregen, maar gelukkig heeft een filosofencomité ingegrepen en de ziel geagendeerd voordat het te laat is. De hele maand april kunnen belangstellenden gezellige avondjes bezoeken (met als hoogtepunt de Nacht van de filosofie), waar van gedachten gewisseld zal worden over de ziel, en of die wel bestaat, en zo nee waarom niet.

De discussie is bij voorbaat als oeverloos en vruchteloos te kenschetsen. Toch is het onderwerp een verademing vergeleken bij het uitzichtloze materialisme dat de breinmaffia te bieden heeft. Het bestaan van de ziel mag dan niet wetenschappelijk aan te tonen zijn, een mens wil er toch ook weer niet van worden beschuldigd géén ziel te hebben. Een zielloos persoon is iemand met wie je liever niets te maken wilt hebben: saai, vervelend, doods, een zwart gat.

De ziel is een abstractie die, zoals dat gaat bij abstracties, op tal van manieren is in te vullen. De belangrijkste associatie is die met leven, adem of ademtocht. In religieus perspectief wordt daar ook nog de notie van onvergankelijkheid aan gekoppeld. Het idee van een onstoffelijke en onsterfelijke ziel die na de dood de behuizing van het lichaam verlaat om ergens rond te zweven heeft zo’n groot wensdroomgehalte, dat je het makkelijk terzijde kunt schuiven als volstrekt ridicuul. Maar dat het hiernamaals, waarin rekeningen worden vereffend en lijden niet vergeefs zal blijken, een illusoir concept is hoeft nog niet te betekenen dat de ziel zelf ook niet bestaat.


Behalve met het leven als zodanig wordt de ziel geassocieerd met de essentie van een persoon. Ook dit is uiterst glibberig en mistig terrein. Het is even ondoenlijk om het wezenlijke van iemand onder woorden te brengen als om de ziel te vangen met een meetinstrument. Een aardig gedachtenexperiment hiervoor is het volgende: maak een lijst van woorden en begrippen die je persoonlijkheid beschrijven. Hoe meer, hoe beter. Kijk er een tijdje naar en schrap vervolgens een voor een de niet-essentiële kenmerken. Dit is niet moeilijk. Hoe belangrijk is het nu eigenlijk dat je van fietsen houdt, veertigplus bent, VPRO-lid, aardrijkskundeleraar en 287 Facebookvrienden hebt? Uiteindelijk blijft er maar één niet te schrappen element over: dat je een mens bent.

Aan het idee van de ziel als essentie kleeft trouwens een geniepig kitsch-randje dat te betrappen valt wanneer ziel als woordversterking wordt gebruikt. De uitdrukking ‘Hij is zielsgelukkig met…’ zal nooit gevolgd worden door ‘zijn peperdure penthouse’ maar altijd door ‘zijn eenvoudige hutje op de hei’. Als een vrouw zegt: “Ik houd zielsveel van hem,” geeft zij de indruk van opofferende liefde door roeien en ruiten, het soort liefde dat gebukt gaat onder huiselijk geweld. Het voorvoegsel ‘ziels’ duidt op morele superioriteit en op een verheerlijking van de eenvoudigen der geest.

Het gebrek aan tastbaarheid en de associaties met spirituele kitsch doen verder geen afbreuk aan het bestaan van de ziel als kortst mogelijke samenvatting voor iemands uniekheid. De ziel is eigenlijk net zoiets als Sinterklaas, van wie ook wordt beweerd dat hij niet bestaat. Maar kinderen, ouders, detailhandelaren weten wel beter: hij komt elk jaar weer en begin december kun je hem overal zien. Natuurlijk bestaat Sinterklaas! Dat is geen geloofs- maar een kalenderkwestie.


Neurowetenschappers maken hersenscans en moleculair biologen ontrafelen het genoom. Maar uit de miljoenen sequenties CGTA die nijver worden geanalyseerd valt niets essentieels te destilleren wat meer licht zal werpen op het raadsel van de mens. Dan kunnen we het net zo goed over de ziel hebben – dat geeft in ieder geval boeiender gespreksstof.