Parallel universum

Liever was hij een groot filosoof geworden dan kunstenaar. Dus schept Charles Avery nu zijn eigen wereld, als was hij God zelf. Nieuw werk uit zijn fantasy-wereld is nu te zien in Den Haag en Amsterdam.

Al ruim acht jaar werkt de schotse Charles avery (1973) aan een eigen universum: The Islanders Project. Iedere tekening, installatie, film of tekst die hij maakt, is daarvan een onderdeel. ‘Altermodern’ is de kunststroming waartoe Avery’s werk wordt gerekend, maar zijn fantasiewereld – met zijn geheel eigen en zeer strakke logica – is volstrekt uniek. En gewild: tekeningen gaan voor 145.000 euro van de hand.

Vlak voor het interview, dat plaatsvindt in de Amsterdamse galerie Grimm, legt Avery met een klein kwastje de laatste hand aan een felgekleurd hoedje op een beeld. Het idee voor een hoedje kreeg hij door de Easter Bonnet Competition van de Londense school van zijn dochters. Het hele weekend had hij gewerkt aan een met geometrische precisie uitgewerkt hoedje met paaseitjes. De oudste dochter vond het uiteindelijk toch niet zo mooi en koos een ander paashoedje, de jongste nam het wel mee en won de wedstrijd.

Was het niet op tijd klaar, dat u het nu nog moet verven?

“Weet je wat gek is, een kunstacademie is een heel kritische omgeving. Betreed je daarna de galeriewereld, dan kom je juist in het tegenovergestelde terecht: plotseling is alles wat je maakt perfect. Dat is natuurlijk niet zo. Er is geen enkele kunstenaar – althans niet een kunstenaar in wie ik geïnteresseerd ben – die tevreden is met wat hij heeft gemaakt. Je gaat door, maar je bent er nooit echt gelukkig mee. Ik maak tekeningen ook nooit af; op een gegeven moment stop ik gewoon. Soms ga ik later nog door met een tekening die al tentoon is gesteld. Het is nooit briljant, het is zo’n enorm complex project. Die onrust blijft.”


Is The Island ook het resultaat van uw onrust?

“Ja. Ik weet alleen niet zeker wat eerst kwam: het eiland of de onrust. Ik heb zeker die ambitie om méér te maken dan een stuk kunst, ik maak het hele verhaal eromheen. Overal worden immers verhalen omheen verteld, dus kan ik beter zelf het verhaal maken.

“Er zijn mensen die geloven dat mijn wereld echt bestaat. Ik heb twee assistenten met een achtergrond in architectuur die fulltime voor mij werken. Zij zorgen ervoor dat het klopt, dat er samenhang is tussen alle werken en dat alles wordt getest. Het is niet zomaar een fantasie, er zit een degelijke structuur onder. In mijn studio heb ik er een computermodel van waar alles in zit. Dat is niet voor de buitenwereld, dat is alleen voor onszelf. De gebouwen moeten op de juiste plek staan, de plattegronden moeten kloppen.”

En op een dag is het af?

“Nee, het is nooit af. Maar als mensen het helemaal gaan snappen, stop ik ermee. Het moet niet te concreet worden, er zitten ook mysterieuze elementen in. En het verandert nog tijdens het ontwerpen ervan; mijn blik erop verandert ook.”

Is het een planeet?

“Het eiland staat voor een wereld. Het heeft zelf geen naam en wordt daarom The Island genoemd. Er is een objectieve kant en een subjectieve kant: de realiteit en de mythe. De ene helft van de bewoners gelooft dat er meer bestaat buiten hun wereld, de andere helft van de mensen vindt dat absurd. Het probleem is dat het exact hetzelfde is aan beide kanten, volledig identiek. Je kunt dus nooit weten of de andere helft er werkelijk is of niet. Het is gebaseerd op een filosofisch idee: zet twee identieke voorwerpen in een ruimte waar verder niets is. Het enige wat er is, is de verhouding tussen de twee identieke voorwerpen. Dan rijst de vraag: zijn het nog wel twee verschillende dingen als niets verschillend is?” Gelooft u in een parallel universum?


“Niet echt, maar ik geloof het ook niet níet, snap je? Iets ertussenin. Het universum is de getuige van zichzelf. Zoals met de horizon: die is niet gemaakt van iets, de horizon is niet tastbaar. Toch kun je heel duidelijk zien dat er een horizon is. Daarin zit een tegenstrijdigheid: hoe kun je iets zien wat er niet is?”

Naast het eiland ligt Triangleland, dat wordt gekoloniseerd door de eilanders. In hoeverre is het project een presentatie van de echte wereld?

“Er zitten veel politieke metaforen in. Wat ik bijvoorbeeld interessant vind, is de drang van mensen om de wereld te verdelen in staten en daarover te ruziën. Een radicaal voorbeeld is Palestina, maar de geschiedenis laat een eindeloze reeks voorbeelden zien. De staten of landen die uit zo’n verdeling voortkomen, zijn niet zichtbaar afgeschermd; ze worden niet bepaald door geografische grenzen, maar bestaan in onze hoofden.”

De Britse krant The Guardian schreef over u: “Slechts een paar kunstenaars zijn moedig genoeg om voor God te spelen, Avery heeft daar geen problemen mee.”

“O, dat heb ik niet gezien. Maar ik ben inderdaad de heerser van dit eiland. Ik hou erg van filosofie, van ideeën uitwerken en daarover nadenken. De belangrijkste reden dat ik kunstenaar ben, is dat ik niet genoeg intellectuele bagage heb om een groot filosoof te worden.”

Het klinkt alsof u zegt: ik kan per ongeluk goed kunt tekenen, dus dan maar dat.

“Ik wil tekenen, en ik doe het zo goed als ik kan. Ik teken mijn ideeën en mijn verbeelding, hou van de uitdaging die daarin besloten ligt. Niets is echt, maar het is wel zo realistisch mogelijk weergegeven.”


Tussen de landen van The Island ligt het gebied Qoro-Qoros. Het ziet eruit als een gigantisch moeras van zwarte ballen. Het trekt nieuwsgierige toeristen, en er hangen jonge mensen rond met een fles whisky. Er ligt afval waar enorme volgevroten palingen tussendoor zwemmen. Als je er een half uur doorheen loopt, kan het je plotseling bij de keel grijpen. Je wordt moe, en zodra dat gebeurt, verandert het moerassige in een soort drijfzand; het zuigt je energie op en je sterft.

Het gebied heeft iets heel onheilspellends.

“Ja, mensen zeggen ook dat de figuren ongelukkig kijken. Maar het moeras is ook leuk, hoor! Die moerassige ballen veren terug, dus je kunt van de een naar de andere springen. En als de palingen nog jong en klein zijn, zijn ze een delicatesse.”

Waar komt al die ellende en dat onheil vandaan?

“Nou, het verschilt niet zo veel van de Londense wijk Hackney waar ik woon, haha.”

U werd afgewezen op verschillende kunstacademies, en toen u uiteindelijk werd aangenomen op het prestigieuze Saint Martins in Londen, wist u niet hoe snel u er weer van af moest. En toen?

“We begonnen zelf een galerie, op Old Street. We waren nog heel jong, het was 1995, geloof ik. Oost-Londen was in opkomst, maar we konden nog gemakkelijk een goedkope, gigantische ruimte krijgen. Het heeft niet lang geduurd, dat had ook nooit gekund, maar voor dat moment was het geweldig. We hadden er performances, we exposeerden er en we feestten. Het concept van een experimentele galerie was toen nog best uniek. En ik heb er langzaamaan de Londense kunstwereld leren kennen. Nu is de stad anders, er is niet zo veel geld meer en al helemaal geen goedkope ruimtes. En gevestigde galeries zijn niet geïnteresseerd in het werk van jonge kunstenaars. Je hoort mensen zeggen dat ze naar Berlijn gaan.”


Geen andere kunstenaar verzint een parallel universum zo complex als u heeft gedaan. Waarom doet u het?

“Zodat ik zélf de betekenis van mijn werk kan bepalen. Als je dat niet doet, gaan anderen dat doen. Alles wordt in hokjes gestopt, maar ik vind de betekenis belangrijk en wil daar zelf graag iets over te zeggen hebben. Het is één groot, kloppend verhaal. Ik kan er nog jaren aan doorwerken.”

In de beeldende kunst is het ongewoon de betekenis zo belangrijk te vinden. We zijn eraan gewend dat je zelf mag weten wat je ziet.

“Ik geloof niet zo dat betekenis onbelangrijk is voor kunstenaars. Voor mij is betekenis in ieder geval het allerbelangrijkste. Ik geef juist niet zo veel om het esthetische. Toen ik jonger was, hield ik van tekenen, maar ik wilde de relevantie ervan inzien. Wat betekent het woord kunstenaar eigenlijk, vroeg ik me af. Iedereen kan zichzelf zo noemen, het is geen beschermd beroep. Ik kwam tot de conclusie dat een kunstenaar aan drie criteria moet voldoen. Ten eerste moet hij werk maken. Niets komt per ongeluk tot stand, het is altijd een bewuste actie of keuze. Zelfs een steen in een galerie is een keuze. Ten tweede moet hij de reden of noodzaak kennen waarom hij een werk heeft gemaakt. Hij moet het zelf kunst noemen. Dat is het criterium van de subjectiviteit. Het derde criterium is het belangrijkste: professionalisme. Hij moet letterlijk blijk geven van zijn eigen verwondering of ontdekkingen. Dat verkoop je op de kunstmarkt, en daardoor kun je weer iets nieuws maken. En: je moet een balans vinden tussen de vrijheid om te doen wat je zelf graag wilt doen en de vraag of het publiek het ook kan zien of ontvangen. Het moet ook relevant zijn voor de maatschappij.”


Wat is de relevantie van uw werk?

“Het is niet echt aan mij om daar iets over te zeggen. Ik heb geen idee of het relevant is. Ik denk wel dat filosofie veel problemen oplost die nu spelen in de beeldende kunst; filosofie loopt vóór op kunst. In de kunstgeschiedenis veranderen ze alleen de namen van de dingen, maar dat zijn geen wezenlijke veranderingen. Er wordt bijvoorbeeld nog steeds een onderscheid gemaakt tussen schilderkunst en installatie, terwijl dat natuurlijk helemaal niet bestaat. Het kunsthistorische kader is nog steeds gebaseerd op middeleeuwse veronderstellingen.”

Hoe gaat u daarmee om?

“Dat was een reden om het eiland te ontwerpen: afstappen van die bepalingen in de kunst. Als je iets goeds maakt, willen ze dat je het opnieuw maakt, en nog eens. Mensen willen je graag in een hokje stoppen zodat ze het kunnen begrijpen. Het eiland is gebaseerd op een idee en ik presenteer dat idee op verschillende manieren: in tekeningen, met verf, beelden, installaties, tekst. Het is een manier van denken. Ik wil geen kunstenaar zijn die losse stukken maakt. Het is één geheel.”

Er is zo veel kunst, hoe bepaalt u uw eigen plek in de (kunst)wereld?

“Dat was de andere reden om het eiland te ontwerpen. Het verhaal begint met de Hunter, hij gaat het eiland ontdekken, denkt hij. Hij is reuze trots op zijn ontdekking, en denkt dat hij thuis in Engeland juichend zal worden ontvangen. Maar dan hoort hij een meisje zingen. Ze loopt langs, met een mandje aan haar arm. Hij blijkt helemaal niet de eerste mens op het eiland te zijn, er is al een hele beschaving. Het eiland bestaat al zolang de bewoners het zich kunnen herinneren.


“Zo is het precies als jonge kunstenaar: je maakt iets en denkt dat het briljant en origineel is. Totdat iemand tegen je zegt: ‘Heb je dat werk weleens gezien? Wat jij maakt lijkt daarop!” Langzamerhand ontdek je dat zo veel al is gedaan en dat heel weinig nog origineel is. Dan moet je jezelf heruitvinden. Een nieuwe rol of een nieuw kader voor jezelf vinden. Mensen gaan met ideeën om als met land: ze planten graag vlaggen op ideeën. Alsof Darwin de evolutietheorie heeft verzonnen; die theorie bestond al bij de oude Grieken, misschien zelfs daarvoor. We denken in territoria en eigendom, maar heel veel mensen bedenken hetzelfde. Ik geloof wel dat ideeën in de lucht hangen en dat je ze kunt plukken. Verschillende mensen plukken ze tegelijk.”

Pauline Bijster