Spoorzoeken

Ook de nieuwe roman van Bart Koubaa is geen ingetogen huiskamerdrama. Door de ingenieuze verhalen en de combinatie van melodrama en rauwe scènes leest het boek als een thriller.

Alle perfecte plannen hebben één overeenkomst: ze gaan altijd mis. Hoe perfecter een misdaad lijkt, hoe groter de kans op een onvoorzien detail dat de hele operatie laat mislukken. De voorbereiding van de hoofdpersoon van De Brooklynclub is vlekkeloos, de uitvoering gaat geheel volgens plan. Toch zit hij al negen maanden vast als we kennis met hem maken.

Op de eerste pagina komen we in grote lijnen te weten hoe hij achter tralies is beland: hij heeft zijn dubbelganger vernietigd. Komt in de beste families voor. Daarnaast leren we dat hij de naam van zijn grote liefde op zijn borst heeft laten tatoeëren, en dat hij op zeker moment naar Groenland is vertrokken. Hoeveel vragen die onthullingen ook mogen oproepen, één ding is in ieder geval duidelijk: De Brooklynclub wordt geen ingetogen huiskamerdrama.

Niet dat dat in de lijn der verwachting lag. In Maria van Barcelona, zijn vorige roman, voerde de Vlaming Bart Koubaa (1968) een titelheldin op die ervan verdacht werd een levensgevaarlijk virus door België te hebben verspreid. Klinkt nog vrij normaal? Mwa. Wie met het virus besmet was, kon zich alleen nog maar uitdrukken met ezelsgebalk. De roman was een maffe politieke satire en een rauwe complotthriller ineen.

De Brooklynclub is Koubaa’s zesde roman in twaalf jaar. Net als Maria van Barcelona is het een chaotische biecht in de ik-vorm. Na de onthullingen op de eerste pagina wordt de rest van de roman besteed aan het invullen van de onduidelijkheden. Dat zijn er nogal wat. De meeste vragen worden uiteindelijk beantwoord, maar Koubaa’s idee van een antwoord is: beginnen aan de ene verhaallijn, een of twee essentiële karakters introduceren, die karakters even snel weer van het toneel laten verdwijnen, overspringen op een andere verhaallijn. Vervolgens een vreemd detail opvoeren dat op dat moment misschien wat gewild absurd lijkt, maar uiteindelijk uitgroeit tot de basis van het overkoepelende verhaal. En dan, als het je langzaam begint te duizelen, komt er een antwoord op de oorspronkelijke vraag. Of althans: een aanzet tot een antwoord. Wat overigens niet betekent dat het antwoord verderop in het boek niet hernomen kan worden.


Het is makkelijk om verstrikt te raken in alle subplots, tijdssprongen, dubbele bodems, hoofd- en bijpersonages. Maar echt storend wordt het zelden – Koubaa geeft doorgaans net genoeg antwoorden om de grote lijnen helder te houden. En het verhaal dendert met zo’n vaart verder dat je nauwelijks tijd hebt ergens lang bij stil te staan. Net als je je begint af te vragen hoe het ook alweer zat met de maskers en die ene eskimo, wordt er een lam verbrand of overlijdt er een familielid, en ben je de eskimo tijdelijk vergeten.

De indruk wordt misschien gewekt dat Koubaa bewust ingewikkeld doet, dat De Brooklynclub zo’n boek is dat je niet zozeer leest als wel ontleedt, bij voorkeur in een werkgroep waarbij de poststructuralisten nooit ver weg zijn. Maar die indruk is niet helemaal terecht.

Hoe bizar en vergezocht zijn plots ook mogen zijn, en tot hoeveel poststructuralistisch verantwoorde interpretaties zijn boeken ook mogen uitnodigen, de zinnen zijn vrijwel altijd helder, de stijl is zeer direct, expliciet. En de vele kronkels en zijpaden gaan niet ten koste van het vermaak. Integendeel.

Koubaa’s werk staat behoorlijk op zichzelf. Goed, de associatie met Chuck Palahniuks Fight Club ligt voor de hand: de naamloze hoofdpersoon richt daarin een club op waarvan de leden elkaar te lijf gaan, in een oud pakhuis in Brooklyn, en de echte ellende begint als de club langzaam in de greep raakt van de verkeerde types. Maar verder? Meer nog dan aan andere romans doet De Brooklynclub hier en daar aan de films van Pedro Almodóvar denken. De combinatie van melodrama en rauwe, expliciete scènes, de krankzinnige, ingenieuze verhalen die vaak op gang worden gebracht door toevalligheden – stel je Fight Club meets Almodóvar voor en je hebt een beetje een idee van de sfeer en vertelstijl bij Koubaa.


Grote sprongen maken, snel heen en weer schakelen, constant vragen oproepen – het nadeel van die vertelstijl is dat het af en toe wel erg sterk aanvoelt alsof je alleen maar doorleest om de oplossing van het raadsel te horen, als bij een geslaagde thriller.

Alles lijkt in dienst te staan van de vaart, van het nieuwsgierig houden van de lezer. Koubaa zou je best wat vaker mogen laten haken aan een mooie zin, aan een sterke observatie. Zoals deze: “Als je het wilt uitzingen, kun je maar beter niet mank lopen als je je enkel verstuikt hebt, anders schoppen ze je binnen de kortste keren verrot, en dat wat mensen kunnen, doen ze meestal ook.”

Een zin die meer doet dan het verhaal vooruit helpen. Raak en simpel, in plaats van raak en moeilijk te volgen. Een welkome afwisseling.

Bart Koubaa: De Brooklynclub.Querido, € 17,95. Ook via ako.nl.

Dries Muus