De bankierseed ontleed

Gisteren las u al de reactie van Boudewijn de Bruin, hoogleraar Financiële Ethiek aan de RUG, op het plan van minister Jan Kees de Jager (Financiën) om een eed voor bankiers (PDF) in te voeren. In de bankierseed worden vijf elementen benoemd waaraan alle bankmedewerkers trouw moeten zweren – ook tijdelijk personeel zoals uitzendkrachten. Een stukje symboolpolitiek dat niets zal uithalen – het zou evengoed voor het bakkersgilde kunnen gelden. De vijf elementen uit de eed die samen de wassen neus vormen, voorzien van commentaar.

1. Het integer en zorgvuldig uitoefenen van de functie
“Je hebt geen slechte mensen nodig om een systeem te runnen met slechte uitkomsten.” Dat zei Joris Luyendijk in DWDD over de financiële sector. Veel individuen die voor banken werken zullen ook oprecht geen verkeerde mensen zijn. Net zoals niet alle Duitsers… Het integer en zorgvuldig uitoefenen van een functie is niet voldoende om een systeem te veranderen.

2. Het maken van een zorgvuldige afweging tussen belangen van partijen die bij de onderneming betrokken zijn, in het bijzonder die van de klanten en de maatschappij.
Een bedrijf is er doorgaans niet op gericht de wereld slechter te maken. De wereld beter maken is natuurlijk weer een ander uiterste. Een beursgenoteerd bedrijf is erop gericht haar aandeelhouders tevreden te stellen (door veel geld te verdienen). Iedereen verplichten tot maatschappelijk verantwoord ondernemen is een Naema Tahir-benadering van de financiële sector: als je niet aan ‘onze’ fatsoensnormen voldoet sodemieter je maar op. Uiteindelijk zijn het de klanten die moeten kiezen. Er is vanzelf geen bestaansrecht meer voor ‘slechte’ banken als iedereen overstapt naar eentje die maatschappelijk verantwoord onderneemt. Bovendien wordt hier gesproken over handelen in het belang van de klant én de maatschappij, maar die belangen kunnen sterk verschillen (zie volgende punt).

3. Het centraal stellen van het belang van de klant
Deze stelling komt grotendeels overeen met de bovenstaande. Het belang van de klant hoeft alleen niet per definitie ook het beste voor de samenleving te zijn. De klant wil een maximaal rendement op zijn geld hebben of zo min mogelijk rente betalen over een lening, maar dit leidde er juist toe dat er allerlei onbegrijpelijke producten zijn bedacht. Het is dan ook verbazingwekkend dat De Jager het belang van de klant hoger aanslaat dan het belang van de samenleving. Veel kiezers stemmen niet op de politieke partij die voor henzelf het meest voordelig is, maar die doet wat goed is voor de maatschappij.

4. Het naleven van wetten, reglementen en gedragscodes
Een open deur. Iedereen moet de wet naleven en riskeert een straf als hij of zij dat niet doet. Dat hoef je niet iemand die bij een bank werkt extra te laten verklaren. Het is aan bedrijven om werknemers in het gareel te houden. Over de aard en inhoud van de ‘reglementen en gedragscodes’ wordt bovendien niet gerept. De indruk bestaat toch dat de meeste werknemers van banken zich juist (te) goed conformeerden aan de cultuur binnen de bank en (informele) mores. Dat heeft niet geholpen.

5. Het behouden en bevorderen van het vertrouwen in de financiële sector
Hoe je het ook went of keert, met deze stelling worden ‘gewone’ werknemers medeverantwoordelijk gehouden voor een systeem genaamd de financiële sector. In hoeverre kun je werknemers die verantwoordelijk zijn voor een detail (bv: onderzoek doen naar het vestigingsklimaat in Brazilë) verantwoordelijk maken voor het geheel? Bestuurders hebben als taak de grote lijnen uit te zetten en zijn eindverantwoordelijk. Raden van Toezicht kijken (onder meer) of het handelen van een bedrijf op de lange termijn goed is. Een sector kan zelf een overkoepelend orgaan installeren dat het consumentenvertrouwen (als dat van belang is) van een sector in de gaten houdt. Waar nodig kijkt ook de overheid mee. Die arme uitzendkrachten!

edwin van sas