Waarom zeggen we ‘jij’ tegen een dode?

Vorige week werd mijn schoonvader begraven. Het was droevig om afscheid van hem te nemen, maar de leeftijd die hij bereikt had (88) maakte dat de dag toch vooral in het teken stond van vrede en mooie herinneringen.

De katholieke mis met orgelmuziek en zang was indrukwekkend en verheffend, precies de kracht van oude tradities. Voor sommige kleinkinderen was dit de eerste keer dat ze een echte begrafenis meemaakten en mijn dochter toonde zich na afloop verbaasd dat er tijdens de mis zo veel tijd werd besteed aan ‘dingen die niets met Bonpa te maken hadden’.

Haar ervaring beperkte zich vooralsnog tot seculiere crematies met het format muziek-toespraak-muziek-toespraak. In deze religieuze dienst vormden de toespraken van de nabestaanden niet de hoofdmoot, maar een toevoeging, een onderbreking van de handeling die bestond uit het oerpatroon van de katholieke mis: offerande, sanctus, consecratie, communie met alle bijbehorende gebeden en formules, af en toe zelfs even in het Latijn. Het ritueel kreeg, althans percentueel in tijd, voorrang boven de persoonlijke toespraken en dat was natuurlijk vreemd voor een jong iemand als mijn dochter die zonder religie is opgegroeid in een tijd waarin alle plechtigheden op maat en gepersonaliseerd worden voltrokken.

Toch groeien de religieuze en seculiere tradities steeds meer naar elkaar toe. In de klassieke katholieke dodenmis van vroeger was de overledene zelf nooit meer dan een figurant. Zijn of haar naam werd een paar keer genoemd op de geëigende plaatsen in de stroom van geprevelde gebeden en dat was het wel zo’n beetje. De overledene werd opgenomen in het allesverzwelgende ritueel waarmee de onsterfelijke ziel in Gods genade werd aanbevolen (In paradisum te deducant angeli) en de nabestaanden werden geacht daar troost uit te putten. Iets persoonlijks kwam er verder niet aan te pas. In deze mis hield de pastoor geen preek, maar vertelde hij een persoonlijk en aansprekend verhaal over de overledene, met als oogmerk ‘het vieren van zijn leven’.

Daarmee verschuift het perspectief van het hiernamaals naar het leven op aarde. De pastoor ging zelfs nog een stapje verder en sprak de overledene rechtstreeks aan. Hij begon beleefd met ‘u’ en switchte op zeker moment naar het meer vertrouwelijke ‘jij’. Dat was wel even verwarrend. De eerste twee keer dat hij ‘u’ zei dacht ik dat hij zich richtte tot de weduwe (mijn schoonmoeder), maar nee, hij sprak mijn schoonvader in zijn kist toe. Een ongelooflijk modernisme in een katholieke mis!

Een afscheidstoespraak houden in de tweede persoon enkelvoud is typerend voor hoe het er bij crematies aan toegaat. Je hoort het steeds vaker, ook van mensen van wie je nooit gedacht had dat ze dat zouden doen. Op mij als toehoorder heeft het gebruik van de jij-vorm tegenover een dode een lichtelijk pathetisch en ook een buitensluitend effect. Alsof ik getuige ben van een (semi-therapeutisch) onderonsje tussen spreker en overledene. Maar de toegesprokene kan het niet horen! Het publiek in de zaal wél, maar dat wordt subtiel in de rol van afluisteraar gemanoeuvreerd.

De enige reden die ik kan bedenken voor het gebruik van de jij-vorm bij crematies is dat sprekers in het aangezicht van de dood de noodzaak voelen zich tot iets hogers te richten. En omdat voor seculieren God niet bestaat, grijpen ze in hun wanhoop naar the next best thing, oftewel de ziel van de overledene die ergens boven de bijeenkomst zweeft en alles hoort. Jij zeggen tegen een dode is de seculiere vorm van bidden.

Natuurlijk gooi ik de mantel der liefde over die jij-toespraken, maar onder die mantel knerst de kitsch.