Ga toch zitten, Studio Sport

Het was lang geleden dat ik op zondagavond nog eens om 19:00 voor de televisie zat, dit keer omgeven door de omineuze stilte van een gemeenschappelijke woonkamer in een studentenhuis op de avond vóór Koninginnedag.

Buiten werd een begin gemaakt met een oranjegezind bacchanaal, binnen zat ik, met een bord op schoot. De tune jinglede me in de juiste stemming en een bord vol eenpansmaaltijd verwarmde mijn schoot. Ik had er zin an. Daar was Tom Egbers al.

Sinds de stille opkomst van vreselijke mensen die een weekendbesteding hebben gevonden in het doorbriefen van tussen- en eindstanden (een korte mededeling aan die mensen: STOP DAARMEE, ZIELENPOTEN!), laat ik Studio Sport steeds vaker voor wat het is. Tegenwoordig haak ik af en toe later aan, bij Jack en zijn duidende Studio Voetbalvrienden, om me de hoogtepunten van het weekend in een werkelijke hilarische compilatie te laten opdienen. Ik ben er gek op: beelden van een obese supporter die gaapt als een nijlpaard terwijl de laatste resten broodje bal nog niet doorgeslikt zijn, een blond meisje dat in NEC-tenue haar teennagels zit te lakken of een bejaarde Roda-fan die een uiltje knapt en dan die voice-over: “Het was een boeiende middag, in Kerkrade.”
Twee voetballers die elkaar tandend uitmeppend over het veld rollen: “Feyenoord won, maar niet zonder slag of stoot.”

Nou ja, hogere humor dus. Het is me niet snel te koddig.

Een andere reden waarom ik zo vaak naar Studio Voetbal kijk –je kunt tenslotte in diezelfde tijd  ook iets leuks doen: Jack en zijn gasten zitten gewoon. Letterlijk, bedoel ik. Zitten op stoelen. Zitten aan een tafel. Gewoon, een tafel met stoelen eraan. Gewone stoelen, vermoed ik. Dat stelt me gerust.

Om 19:00 uur staat Tom Egbers, net als Toine van Peperstraten op zaterdag. Niet achter een desk, maar in het luchtledige van de studio. Zo kun je controleren of de streepjes van Toines kostuums wel echt tot het eind van zijn broekspijpen doorlopen (dat doen ze) of hoe Tom Egbers zijn handen houdt (vaak iets in z’n handen wat-ie onmogelijk nodig kan hebben).

Ik heb er een hekel aan om zittend te kijken naar mensen die staan. Af en toe, in het café, zie je iemand die je kent.
Je maakt aanstalten op te staan en te groeten. “Blijf zitten, joh”, weert de ander af, om vervolgens een halfuur aan je tafel te blijven staan, jou dwingend naar hem op te kijken.

Zo voel ik me bij Tom en Toine. Ze staan er zo ontzettend in vol ornaat en zo godvergeten nonchalant bij. Het beste jongetje van de klas dat zijn spreekbeurt over fjorden gaat houden.

Er zit niets anders op dan nonchalant-staand terug te kijken.

Zit je weer met dat bord op schoot. Dat bedoel ik dus.