Iedere militair een medaille

Is het zo gek om Koude-Oorlogmilitairen te eren? De overheid deelt onderscheidingen uit voor veel minder.

Ze staan op hun achterste benen, de oud-militairen die jaarlijks op 5 mei in Wageningen defileren. Of beter gezegd, ze staan op hun strepen. Want die hebben ze verdiend door hun leven in de waagschaal te leggen voor volk en vaderland. Niemand die dat betwist, ook ik niet. Iedere veteraan die zich door moedig gedrag onderscheidde tijdens de Tweede Wereldoorlog, in Korea, in Nederlands-Indie, Libanon, Afghanistan of waar dan ook, mag zijn eretekens met trots voeren.

Maar hoe zit dat met militairen die hun werk deden in legerbases op Nederlandse en Duitse bodem, in de periode 1946-1991, ofwel de Koude Oorlog? Ze hebben nooit een schot gelost, behalve losse flodders tijdens oefeningen. Ze hebben vooral geoefend en ze hebben wachtgelopen, anticiperend op de inval van een vijand die uiteindelijk nooit is gekomen. In de definitie die Defensie hanteert zijn ze geen veteranen. Militairen die in Korea in de loopgraven hebben gelegen terwijl de kogels over hun hoofden floten, zeggen dan ook: die hebben dus geen enkel recht op wat voor onderscheiding dan ook.

Als je direct levensgevaar als voorwaarde stelt voor een medaille, verdienen de soldaten die het Rode Leger tot staan moesten brengen inderdaad geen bijzonder huldeblijk. Maar zoals er vele soorten risico’s bestaan, bestaan er ook vele gradaties in onderscheidingen. Daarin zou de oplossing gezocht kunnen worden. Want het mag inmiddels wat zijn weggezakt in het collectieve geheugen, tijdens de Koude Oorlog – en zeker in de jaren vijftig en zestig – werd de dreiging van een communistische invasie als bijzonder realistisch beleefd. Minstens zo realistisch als de terrorismedreiging van nu.

Wie er de militaire en civiele plannen en draaiboeken van destijds op naslaat, iets dat ik zelf heb mogen doen, proeft de angst van de legerleiding. Dit vertaalde zich in een urgentie die ook aan de lagere echelons zeer voelbaar werd gemaakt. Menige dienstplichtige moet bijvoorbeeld in de periode van de Cubacrisis met klapperende tanden hebben wachtgelopen. Het doet de Koude-Oorlogmilitairen geen recht om dat met de kennis van nu weg te relativeren. Zij waren degenen die de eerste kogels zouden moeten opvangen. In menig opzicht hebben ze in dezelfde ongewisse situatie gezeten als de wachtposten van Kamp Holland in Uruzgan.

Maar moeten ze daarom nu een speciale status krijgen? Daar is best wat voor te zeggen, zeker omdat de overheid haar burgers voor wel minder onderscheidt. Op dit moment maakt de voorzitter van de postduivenvereniging een grotere kans op een lintje dan iemand die jarenlang de eigen landsgrenzen verdedigde tegen de bloeddorstige communistische hordes die destijds elk moment werden verwacht. Op geen enkele manier moet een onderscheiding voor Koude-Oorlogmilitairen gelijk worden gesteld aan die van soldaten die daadwerkelijk hebben gevochten. En op 5 mei moeten ze ook vooral niet voorop lopen in het defile. Maar enig officieel huldebetoon zou niet misstaan, zeker gezien de graagte waarmee we veel mindere prestaties belonen.