Ajax is entertainmentkampioen

Vandaag wordt Ajax kampioen van Nederland. Voetbalkampioen bedoel ik, met een huldiging en het laten vallen van de schaal en het zingen van Mokumse volksliedjes en een vrolijke veldslag bij de Arena en alles.

Van harte.

Kampioen ‘entertainment’ waren ze in Amsterdam al lang. Wie tegenwoordig een kaartje koopt voor een zondagmiddagwedstrijd in de Arena, krijgt daar een compleet dagprogramma voor.

Het voetbalblog In de Hekken – strijdkreet: ‘Against Modern Football’ – zette aan de vooravond van Ajax – De Graafschap een paar weken geleden een paar programmapunten op een rij.

Muzikaal entertainment van Veronica, bewegende spelersanimaties, de Veronica-Top 3 van Eyong Enoh en vooral het tonen van de wedstrijdstatistieken op de schermen… Het zijn de dingen die het supportersleven waard maken geleefd te worden. Dan kun je tegen modern voetbal zijn, tegen bewegende spelersanimaties kan niemand bezwaar hebben, lijkt me.

Mijn blik bleef haken aan de zin ‘Na de wedstrijd zullen de spelers een bedankronde doen en zullen er bij winst ballen het publiek in worden geschoten’.

Dat ken ik, dat ballen in het publiek schieten…

Negen was ik, voetbalgek, maar geen fan van een club. Wie geen fan is, bestaat eigenlijk niet. Ik was voor de bestvoetballende ploeg. Een zwaktebod en ik wist het. Supporteren voor de beste: opportunisme in zijn puurste vorm. Niemand wist dat ik mijn vader napraatte, bij wie ik ook vaak vruchteloos naar zijn voetbalvoorkeur gehengeld had. Na eindeloos doorzeuren van mijn kant, gaf hij een lichte voorkeur voor Roda JC prijs. Daar was hij als jongetje wel eens wezen kijken, lang geleden, toen Roda nog Rapid heette.
Mijn supporterschap van Roda JC duurde niet lang. Het was onpraktisch fan te zijn van een club die 200 kilometer verderop speelde, in een stadion dat bovendien deed denken aan een verloederde buitenwijk van Pompeï.

Tenslotte ging ik naar de Open Dag van Ajax, een laatste poging om het heilige vuur van de fanatieke supporter-door-dik-en-dun in mij te laten ontvlammen.
Het werd een eindeloze middag, vol onverstaanbare optredens van artiesten uit de kelder van het Nederlandse amusement. Pas helemaal aan het slot betraden de Ajax-spelers het gemaltraiteerde gras. Ze staken een voor een hun hand op naar het publiek, dat juichte om ervan af te zijn.

Vervolgens schoot iedere speler een gesigneerde bal in de tribune. Oh, wat wilde ik graag zo’n bal hebben. Niets liever.
 Wij zaten tweede ring. Alleen de Pool Andrzjey Rudy haalde de tweede ring. Niet aan onze kant. Jari Litmanen trapte in de grond. Zijn bal belandde in de gracht.

Gefrustreerd kwam ik thuis. Het gevoel dat me iets door de neus was geboord, hing nog dagen om me heen, als de geur van zure melk.

Voor Ajax heb ik nooit meer kunnen juichen. Maar die ballen die bij winst in het publiek… Ik heb daar alsnog recht op.