Plagiëren is moeilijker dan zelf schrijven

Literatuurkritiek schijnt iets geweldigs te zijn. Het is zelfs een vak, en je kunt er nog wel hoogleraar in worden. Maarten Doorman was zo’n hoogleraar aan de VU, en in 2004 heeft hij mij een keer gevraagd een gastcollege te geven. Dat heb ik toen gedaan. Ik herinner me nog dat ik me erg goed had voorbereid.

Meer dan een uur lang heb ik uit een tekst van 5200 woorden voorgelezen. Mijn gehoor bestond hoofdzakelijk uit vrouwen. Dat kwam overeen met het beeld van de gemiddelde lezer zoals dat door Jos Joosten in de Volkskrant werd geschetst. Volgens Joosten, hoogleraar Nederlandse letterkunde, is ‘de gemiddelde lezer een vijftigjarige vrouw’.

De gemiddelde student literatuurkritiek leek mij ook een vijftigjarige vrouw, al geef ik toe dat ik dat toen niet wetenschappelijk heb onderzocht. Erg veel kennis over het vak van literatuurkritiek bestond er in elk geval niet bij de studenten, maar misschien volgden zij juist mijn college om die leemte op te vullen. Op een gegeven moment vroeg ik of ze wisten wie K.L. Poll was. Het bleef stil, geen hand ging omhoog, daar had niemand van gehoord. Nog nooit heb ik me zo oud gevoeld. Alsof Nederlandse natuurkundestudenten bij de naam Kamerlingh Onnes  – wie, wie? – in een zwart gat vallen.

K.L. Poll (1927-1990) was toch een tijdje de paus van de Nederlandse literatuurkritiek. Hij was de baas van het vrijdagsupplement van NRC Handelsblad en had als zodanig een enorme macht over het literatuurwezen. Zelfs Willem Frederik Hermans heeft een keer voor hem gebogen. En K. Schippers heeft nog een versje over hem gemaakt:

Kunst is geen lolletje
voor mr. K.L. Polletje.

En ook het studentenweekblad Propria Cures gedacht hem in een gedicht:

K.L. Poll zijn broek stroomt vol
trots liet hij hem toen zakken
en sprak: ik kan niet schrijven
maar wel kakken.

Ach ja, K.L. Poll. Vergeten, voorgoed vergeten. Ook in het zojuist verschenen boek Staande receptie van Jos Joosten komt de naam van Poll niet voor. Wel die van Elsbeth Etty, literatuurcritica van NRC Handelsblad en opvolgster van Maarten Doorman als hoogleraar literatuurkritiek aan de VU.

Volgens Joosten is Etty slordig en pleegde zij plagiaat. Zo gaf ze Louis Edward Sissman de voorletters E.L. mee in plaats van L.E. Ook schreef ze een Wikipedia-passage over uit het lemma Menno Ter Braak:

“Dit criterium van de persoonlijkheid van de schrijver heeft tot op heden grote invloed gehad op de Nederlandse literatuur én de literaire kritiek; dit ondanks het feit dat er na de oorlog ook veel kritiek op werd uitgeoefend, niet in de laatste plaats door de vertegenwoordigers van de Vijftigers, die Ter Braak onder andere verweten geen oog te hebben gehad voor het surrealisme en andere bewegingen, waarin juist vormen centraal stonden en níet de kunstenaar of diens persoonlijkheid.”

Dat werd bij Etty:

“Dit criterium van de persoonlijkheid van de schrijver heeft tot op heden grote invloed gehad op de Nederlandse literatuur én de literaire kritiek; dit ondanks het feit dat er na de oorlog ook veel kritiek op werd uitgeoefend, onder andere van de kant van experimentele dichters van de Vijftigers (Lucebert, Bert Schierbeek, Remco Campert, Gerrit Kouwenaar en Jan Elburg), die Ter Braak cum suis verweten geen oog te hebben gehad voor het surrealisme en andere stromingen, waarin juist vormen centraal stonden en níet de kunstenaar of diens persoonlijkheid.”

Tsja, opleuken heet dat. Maar is het erg? Zelf vind ik overschrijven over het algemeen moeilijker dan zelf iets opschrijven. Maar het rare is dat ik Elsbeth Etty altijd graag lees, vooral als ik het met haar oneens ben.

Literatuurkritiek is inderdaad geweldig belangrijk. Zo heeft Jos Joosten wetenschappelijk uitgerekend dat een boek gemiddeld 3,5 besprekingen krijgt. Keiharde cijfers, daar houden wij van. Ik bedoel: 3,5, houd me vast. Anders val ik van mijn stoel, mijnheer!

Staande receptie
Auteur: Jos Joosten
Uitgever: Van Tilt