Hoe meet je geluk?

Onze kinderen zijn best gelukkig. Héél gelukkig zelfs, als je het vergelijkt met soortgelijke landen, zo meldt de World Health Organization (WHO). Maar is zoiets subjectiefs als geluk wel meetbaar?

Een verwend nest zal zichzelf desgevraagd niet zo snel ‘gelukkig’ noemen, terwijl een dankbaar kind zich al uiterst gezegend voelt als hij op de stoep mag ballen met zijn vriendjes. Geluk is dus een relatief begrip. En ook nog eens momentafhankelijk. Want wat een twintigjarige gelukkig maakt (een avondje met vrienden clubben bijvoorbeeld), zal een zestigjarige weinig genot bezorgen. Toch claimt de WHO, die berekende dat Nederlandse jeugd tot de gelukkigste ter wereld behoort, dat geluk meetbaar is. Hoe?

WHO
Vooral gezondheid vindt het WHO heel belangrijk voor de geluksstatus. Fysieke gezondheid en gedrag, maar juist ook sociaal welzijn bepalen het geluk van een tiener. Zelfs als een kind armoede of andere slechte leefomstandigheden kent, kunnen ‘beschermende factoren’ soelaas bieden. Een goede band met familie, vrienden, een prettige schoolomgeving en een fijne buurt zijn zulke factoren die maken dat een jongeling zich goed voelt, zegt de WHO in haar rapport. Welzijn hangt ook niet per se samen met economische rijkdom: hoe rijk je familie is heeft namelijk niet zoveel invloed op je geluk. Wat wél invloed heeft, is hoe de rijkdom verdeeld is in het land waar je woont.

Bruto Nationaal Geluk
In het Himalayastaatje Bhutan, één van de minst ontwikkelde landen ter wereld, gaat men nog verder in het meten van het welzijnsgevoel. Daar besloten ze ‘s lands rijkdom (of armoede) een jaar of veertig geleden maar niet meer weer te geven in een Bruto Nationaal Product, maar in het Bruto Nationaal Geluk (BNG). Sinds 2005 gebruikt de Bhutaanse overheid de volgende negen pijlers om de voorspoed van hun bevolking te meten:

– psychologisch welzijn
– levensstandaard
– goed bestuur
– gezondheid
– onderwijs
– gemeenschapsvitaliteit
– culturele diversiteit
– tijdsbesteding
– ecologische diversiteit

Gemiddeld zijn de Bhutaanse geinterviewden zo’n drie uur bezig met het invullen van een lijst met vragen op 33 indicatiegebieden verdeeld over deze negen pijlers (hier vindt u de excelfile mocht u uzelf willen testen), waarna de regering berekent hoe gelukkig haar onderdanen zijn. In 2010 zat het BNG op 0.743, waarbij 0 slecht is en 1 goed. Wat viel op? Bhutaanse mannen zijn gelukkiger dan vrouwen, stadsbewoners gelukkiger dan plattelanders, en werklozen gelukkiger dan huisvrouwen, boeren en werknemers van grote bedrijven. Ongetrouwden en jonge mensen blijken het gelukkigst van allemaal.

Internationaal geluk
Het Bhutaanse BNG wordt internationaal best serieus genomen, getuige ook de Verenigde Naties-conferentie over wereldgeluk onder voorzitterschap van Bhutan begin april. Westerse landen proberen namelijk evengoed verder te gaan dan enkel het berekenen van hun BNP. Zo zijn er de Canadese Welzijnsindex en het Beyond GDP initiatief van Europese organisaties als Eurostat, het Europees Parlement en de OESO om de gesteldheid van burgers in de gaten te houden.

Ook in Nederland meten we geluk. Ruut Veenhoven, a.k.a. de ‘geluksprofessor’, houdt een database bij waarin hij gegevens verzamelt uit allerlei nationale onderzoeken en internationale vragenlijsten. Die vergelijkt hij en zo ontstaat een cijfer per land. Nederland krijgt van hem een 7,6; net ónder Canada (7.8) en net bóven Brazilië (7.5).

Nature
Naast onderzoeken met vragenlijsten zijn er nog de wetenschappers die geluk meten aan de hand van genen. Ben je de drager van een bepaald gen, dan heb je volgens hen twee keer zoveel kans op gelukkig zijn dan iemand anders die dat gen niet heeft. Het gen helpt namelijk bij de verspreiding van serotonine, wat zorgt voor een gevoel van tevredenheid. Niet alleen nurture maar ook nature speelt volgens deze wetenschappers dus een belangrijke rol voor een gelukzalig gevoel.

Het ‘meten van geluk’ lijkt een steeds serieuzere aangelegenheid te worden, waarvan we allemaal profiteren. Als we immers weten wat ons gelukkig maakt, kunnen we daar het beleid op aanpassen. Maar alle ‘objectieve’ metingen ten spijt: als je puppy wordt aangereden, je baas je ontslaat of je lievelingsoom overlijdt, ben je nog steeds gewoon diep ongelukkig. Hoe goed de objectieve omstandigheden misschien ook zijn.