Met Herman Brood op pad: een kleine terugblik

Er zwerft nogal wat kunst van bekenden door mijn huis. Schilderijen, een litho, etsen, beelden, foto’s, gemaakt door een vriend, vriendin, collega of kroegkennis. Een enkel kunstzinnig voorwerp stamt van een ander soort bekende: de BN’er. Zo bezit ik een strip van Herman Brood, bekend door kunst en levenskunst.

Ergens in de jaren tachtig – toe nestor, vertel nog eens – trok ik een paar dagen met de legendarische rocker op voor een reportage rond de lancering van een nieuwe langspeelplaat. Het werd een mooie onderneming, die me langs een platenstudio, een concertzaal, een Chinees restaurant, een lingeriewinkel, een dealer, diverse nachtcafés en zijn woning nabij het Leidseplein voerde.

Neem die Chinees, Sheng Shin, een uitgestorven lokaal helemaal in Venray. Vóór het optreden ging de band er wat eten. Brood bestelde whisky. Juist, zei de serveerster, en wat meneer wilde eten? Meneer wilde alleen maar whisky. Een bandlid mopperde over die eeuwige Chinezen die het artiestenbestaan vergezellen. De ster, met hese stem: “Een snackbar is eigenlijk meer rock ‘n’ roll dan zo’n Chinees.”

In Amsterdam gingen we per taxi een paar kroegen en een dealer af. Of weekblad De Tijd de drie tientjes voor de speed even kon betalen, Herman had zijn portemonnee namelijk in zijn zondagse pak laten zitten. ‘Drugs voor H. Brood’ stond er later op mijn declaratie bij de hoofdredactie. Als tegenprestatie bood hij aan een illustratie voor bij het artikel te maken. Zwijgend tekende hij vier bierviltjes vol.

De dooltocht eindigde in een nachttent. Het redactiebudget raakte op en Herman zong voor twee tequila’s een liedje: “Ik heb geen geld en geen juwelen voor het meisje waar ik veel van hou. / Maar ik heb mooie luchtkastelen en die zijn allemaal voor jou.”

Om half vier ’s nachts strandden we bij de artiest thuis, een etage zonder meubels op een bed na, dat was opgesteld te midden van diffuse partij roerend goed. Hij serveerde chili con carne met whisky en stopte Sophie’s Choice in de videorecorder. “Als je wil…” wees hij naar het bed, om dan de kamer uit te gaan. Toen ik me uren later terugvond in dat bed, was hij nog steeds verdwenen.

Met een hamerend hoofd bekeek ik de vier viltjes. Ze bleken een strip. Op het eerste viltje zei een op Brood lijkende personage (ongecorrigeerd): “Persoonlijk sta ik liever in De Tijd als in..uh..pakweg…” Op het tweede viltje: “Het gaat erom: hoeveel lezers heeft zo’n..” Viltje drie: “D’accord! Maar je wil toch een beetje level!” De stripfiguur op viltje vier trekt een grimas: “Beetje level?”