Oegandees in Amersfoort

Vorige week stond in de Volkskrant een groot interview met de nummer 96 van de badmintonwereldranglijst. Het artikel van Kick Hommes ging over Edwin Ekiring, Oegandees in Amersfoort.

Normaal gesproken lees ik geen interviews met redelijk goede badmintonners, zoals ik ook de vraaggesprekken met matige kunstschaatsers of ronduit slechte klootschieters nogal eens oversla. Een mens kan niet alles lezen.

Het stuk over Ekiring las ik wel, het was ontroerend. Dat begon al bij de foto: een donkere man met een gifgroen shirtje en een gesponsorde cap, poserend tegen de achtergrond van een soort veelkleurige discomuur. Temidden van zoveel vloekende kleurigheid, vielen vooral Ekirings ogen op: pure ernst.

Twee auto-ongelukken
Wie het levensverhaal van de beste badmintonner van Afrika (hoeveel Afrikanen er behalve Edwin nog meer badmintonnen vermeldt het verhaal niet – waarschijnlijk ongeveer net zoveel als dat er Peruviaanse curlingspelers zijn, of Griekse langlaufers) leest, weet: je zou van minder ernstig gaan kijken. Ekiring komt uit een Oegandese achterstandswijk, verloor op z’n tiende zijn moeder bij een auto-ongeluk waarbij hijzelf voor maanden in coma raakte, verhuisde als elfjarige in z’n dooie eentje naar Amerika met een vals paspoort en werd in 2009 aangereden door een auto, wat zeven maanden revalideren betekende. Nu wil hij naar de Olympische Spelen, maar de begeleiding van de Oegandese badmintonbond laat te wensen over. Dat laatste begrijp ik wel, in Oeganda hebben ze wel wat anders aan hun hoofd dan de Spelen.

Edwin woont al een paar jaar bij een Amersfoorts gastgezin, dat hij leerde kennen op een toernooi in Duitsland. Van Oeganda, via Amerika naar Amersfoort. Tja.

Een woestenij van leegstaande hoogbouw
Ik kom er wel eens, Amersfoort. Wie op het station van Amersfoort arriveert, bevindt zich plotseling in een woestenij van leegstaande hoogbouw. Het zal ooit de bedoeling geweest zijn om van het gebied rond het station een city te maken. Grandioze mislukking.

Tegenover het busstation – in geen enkele stad echt een fraai gezicht – zit een koffiebar, van het soort aangename hipheid dat tegenwoordig met koffie gepaard gaat. Ook daar zit ik wel eens.

Buiten is het bewolkt, lege frietzakjes waaien voorbij en de bus wil maar niet komen. Verderop is er de leegstand.

Ik vermoed dat het Volkskrant-interview in diezelfde koffiebar gehouden is. Dat Edwin Ekiring naar buiten keek, zweeg, in zijn dubbele espresso blies en fantaseerde over de Spelen.

En dat hij toch even glimlachte, ondanks alles.