Wat is er eigenlijk attractief aan de natuur?

Er is iets vreemds met de natuur. Ze heeft een aantrekkingskracht waar geen magneet tegenop kan, maar soms vraag ik me af wat er eigenlijk zo attractief aan is. Je moet er misschien in een bepaalde bui voor zijn.

Zoals vorige week. Om te vieren dat het Dag Zonder Vaart is (zie een vorig stukje), besluit ik tot een wandeling. De keus valt op een gebied waar ik al even niet ben geweest, een kasteelpark dat aarzelt tussen bos en tuin. Rond het slot rekken gladde gazons zich uit tot ze stuiten op grote wolken rodondendron. Tuin. Daarachter rijzen reusachtige bomen op: platanen, beuken, eiken en zelfs sequoia’s. Bos. Daardoorheen kringelen wandelpaden en mijmeren een paar vijvers met bruggetjes en zitbankjes. Park.

Gaandeweg komt het hoofdschudden. Zo’n boom van een eeuw oud: een gebochelde gestalte met houten puisten en reumatische takken waarvan er een paar de verkeerde kant op zijn gegroeid en de grond bijna raken. Een modderpoel waar een ondefinieerbare, muf geurende substantie in drijft. Een dode stam die vochtig ligt te rotten zodat er zich schimmels op vestigen die elfenbankjes worden genoemd maar waar een béétje elf vies van zal zijn. Een ordeloos gewemel van struiken en takken en bladpulp van de voorbije herfst. Een merel die een pier uit de grond trekt en afslacht: een smerig gezicht. En insecten in alle soorten en maten, en allemaal te lelijk voor woorden.

Als ik de kringelpaden nog eens afloop, lijkt de omgeving te veranderen. Die oude woudreuzen zijn toch wel imponerend in hun grillige weerbarstigheid. De kwijnende houtresten tussen het vitale groen openbaren zich als vertellingen over leven en vergankelijkheid. En ineens worden de vogels aangezet en klinkt er een ijl concert voor blaasinstrumenten vanuit de bomen.

Paardenbloempluis. Een gazon vol boterbloemen. Een mees in en uit een nestkastje. Mussen die een zandbad nemen. De zon op een miljoen purperen beukenblaadjes. Harthuppels.

Bui over.