De vloek die op GroenLinks rust

Al sinds 1989 grossiert GroenLinks in geklungel, gelazer en gemiste kansen. Hoe krijgen ze dat toch voor elkaar?

Als het met iets of iemand slecht dreigt af te lopen, hoor je dikwijls zeggen dat het allemaal zo mooi begon. Bij GroenLinks is dat gek genoeg niet echt van toepassing. Zoals bekend ontstond de partij in 1989 uit een aanvankelijk federatief samenwerkingsverband van de Communistische Partij Nederland (CPN), de Politieke Partij Radikalen (PPR), de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) en de Evangelische Volkspartij (EVP). Het betrof een noodsprong, want de CPN en de EVP waren drie jaar eerder bij gebrek aan kiezers uit de Tweede Kamer verdwenen en ook de PPR (twee zetels) en de PSP (één zetel) liepen op hun laatste benen. Het etiket ‘groen’ werd afgekeken van Duitsland, waar al sinds 1980 een partij op progressief-ecologische grondslag bestond: Die Grünen.

De eerste jaren van GroenLinks verliepen moeizaam en dat had vooral te maken met de boegbeelden waarvan de partij zich bediende. Zo fungeerde eerst Ria Beckers als lijsttrekker. Een merkwaardige keus, aangezien ze als lijstaanvoerder van de PPR al vier keer had mogen bewijzen dat ze niet bepaald een stemmentrekker was. Vervolgens ging GroenLinks in 1994 de Kamerverkiezingen in onder leiding van Ina Brouwer, een weinig charismatische communiste bij wie niemand moest denken aan groen. Pas onder aanvoering van Paul Rosenmöller kwam GroenLinks daarna toch uit de startblokken, met elf zetels (1998) als beste resultaat.

Affaires en schandalen
In theorie hadden toen gouden jaren kunnen aanbreken voor GroenLinks. De PvdA, de grootste concurrent op de kiezersmarkt, raakte ernstig in verval en groene thema’s als het klimaat en duurzaamheid kwamen op het Binnenhof steeds hoger op de agenda te staan. Maar GroenLinks wist er niet van te profiteren. In plaats daarvan kwam de partij in opspraak door affaires en schandalen (Tara Singh Varma, Sam Pormes, Wijnand Duyvendak, Mariko Peters), ging de SP er vandoor met teleurgestelde PvdA-kiezers en kreeg GroenLinks op eigen erf te maken met concurrentie van de Partij voor de Dieren.

Minstens zo saillant: terwijl de Duitse, Franse en Belgische groenen tussen 1997 en 1999 regeringsdeelname wisten af te dwingen, bleef GroenLinks in Den Haag als oppositiepartij langs de kant staan. In het lokaal bestuur ging het nauwelijks beter: de partij wist nooit meer dan acht burgemeestersposten binnen te slepen in alleen kleine en middelgrote gemeenten (evenveel als de SGP) en Harry Borghouts, de enige GroenLinkse Commissaris van de Koningin, zag zich in 2009 gedwongen voortijdig af te treden in het kielzog van het Icesave-schandaal.

Geklungel, gelazer en gemiste kansen
Femke Halsema deed ondertussen haar uiterste best om GroenLinks neer te zetten als een ondogmatische, moderne en vrijzinnige partij. De links-liberale kiezers die voor die verleiding hadden moeten bezwijken, bleken echter meer te zien in het ‘origineel’, lees: het D66 van Alexander Pechtold. Pas in 2010, bij haar derde en laatste optreden als lijsttrekker, boekte Halsema winst. De elf zetels van Rosenmöller uit 1998 wist ze evenwel nooit te evenaren, laat staan te overtreffen.

Dat GroenLinks nu wordt getroffen door de affaire rond Tofik Dibi past eigenlijk wel in bovenstaand plaatje. Want in geklungel, gelazer en gemiste kansen zijn ze bij de partij bijkans gespecialiseerd. Zelfs als GroenLinks de komende maanden weer enigszins op zou krabbelen, geeft dat te denken. Want waarom zou je een partij met zo’n imposant brevet van onvermogen eigenlijk regeringsverantwoordelijkheid laten dragen?