De golfclub, het volkstuintje en het haventje

Al zoveel kilometers heb ik door en rond deze stad gezworven en nog steeds kom ik op onbekende plekken. Halverwege een groene tocht dient zich een golfterrein aan, met malse grasvelden die inderdaad golven, dunnetjes bevolkt door spelers met over de schouder gehangen pullovers en konijnen met doodsverachting. Aan de geparkeerde auto’s te oordelen zit het gemiddelde clublid aan de prettige kant van modaal, al lijkt de club nou ook weer geen rijkeluissoos.

Het terrein grenst aan een volkstuintjescomplex. De wijdsheid en rust van de eeuwige golfvelden contrasteert sterk met de drukke aanblik van honderd minituintjes met minikasjes en minikeetjes. De bedrijfskleding oogt ook anders dan die van de buren: geen loafers maar gummi laarzen, geen witte Tommy Hilfigers maar blauwe werkmansbroeken met kniestukken.

Even verderop ligt een kleine jachthaven met een werf waar mensen hun bootjes onderhouden of oplappen. Er dobbert een enkele poenige schuit in het haventje, de rest stelt zich niet aan maar is gewoon boot.

De golfclub, de volkstuintjes, het haventje: ze zullen allemaal hun eigen zeden en ongeschreven wetten kennen, hun eigen omgangsvormen en hun eigen actualiteiten. Wereldjes naast elkaar, bien étonnés de se trouver ensemble. Maar wat de golfers, tuiniers en schippers delen, is dat ze een tweede leven hebben gevonden, een bestaan waarin ze net als in hun (vroegere) werk opgaan en proberen te excelleren: door een hole-in-one te slaan, een reuzengourgette te kweken, een roestig jachtje te restaureren.

Het is allemaal niet zo exceptioneel, maar vandaag vind ik het ineens ontroerend hoe mensen wat proberen te maken van hun leven en hoe hier de illusie hangt dat de tijd niet op kan. Houen zo, zou ik zeggen.