Tweede Pinksterdag met Salvador Dalí

Een ontmoeting op een zonnig Utrechts terras op Tweede Pinksterdag. Wat volgt is een verhaal over Salvador Dalí, twee ocelots en een adelaar-neushoorn. Uw verslaggever dronk gisterenavond een borrel met Nico Rypkema  (1931). Een Nederlands kunstenaar – Utrecht based, geboren in Fryslân. Hij vertelde over hoe hij in de jaren zeventig Salvador Dalí ontmoette.

Het zijn de jaren zeventig van de vorige eeuw, Generalísimo Francisco Franco is nog aan de macht, Spanje was nog lang niet het vakantieland van nu. Nico was een paar dagen daarvoor vastgezet door de Guardia Civil. Hij had op een plein luidop een communistisch lied staan zingen. Om de fascisten uit te dagen, het is een tegendraadse man moet u weten. Na zijn vrijlating zat Nico met zijn vriend Carlos in de kroeg. Carlos had zijn vader verloren tijdens de Burgeroorlog, in de jaren dertig in de strijd tegen de troepen van Franco gevallen. Tevens maakte Carlos deel uit van een Spaanse adellijke familie. Dat verhaal interesseerde Nico; het ging over bloed, strijd en aristocratie. Daar houden kunstenaars van.

Een opvallende man kwam binnen – gehuld in keurig driedelig pak, aan de arm een vrouw in ‘doorschijnblouse’ (dixit Rypkema). De dame in kwestie – ook Brits – had twee katachtigen bij zich: ocelots. Keurig aan de riem. Ocelots zijn een soort jachtluipaarden. Maar wel legaal. Althans, dacht Rypkema, denk ik nu. Denken velen.

Rypkema en Carlos waren diep onder de indruk. Wat later werden ze gewenkt door de tafel met het driedelig pak, de doorschijnende blouse en de ocelots; of ze een drankje mee wilden drinken. (“Je werd als kunstenaar herkend?”, vraag ik Rypkema. “Uiteraard!” bevestigt hij.) De Brit in kwestie bleek ‘Captain’ Peter Moore te zijn, de man die sinds de jaren zestig de zakelijke besognes waarnam voor Salvador Dalí. Want elke goede kunstenaar heeft een harteloze manager, boekhouder en zaakwaarnemer. Aan het einde van de avond vroeg Moore of beide heren nog op audiëntie wilden in De Villa. Eén van de verblijven van Dalí. Het gezelschap stapte in de gereedstaande Rolls Royce. Het eerste wat Rypkema zag bij aankomst was een boot waaruit een boom groeide. Eenmaal binnen werd hij geconfronteerd met een opgezette adelaar aan de muur met de kop van een eveneens opgezette neushoorn. Vleugels gedrapeerd rondom een dikhuidige, bijkans een dinosaurus; Dalí leefde in zijn schilderijen.

Daar ontmoette Rypkema de Oude Meester, die een broek droeg met een gouden bies, aan de voet ‘een soort Turkse slof’. Dali’s vrouw Gala droeg een jurk ‘gemaakt van rijksdaalders’ aldus Nico. “Ze had er niets onder aan volgens mij.”

Dalí nam ze mee naar beneden, naar een gestileerde grot. In de ene nis stonden drie flessen rosé, in de andere de glazen. In een andere hoek stond Lips, het fameuze bankstel van Dalí gemodelleerd naar de lippen van Mae West. Het werd een gezellige avond. “Ook al was zijn Engels niet al te best,” aldus Rypkema. Iets wat Mike Wallace (CBS, vorige maand overleden) ook al ondervond in 1958. Let vooral op de sigarettenreclame. “Dalí zag zichzelf als de grondlegger van de pop-art, ik weet nog dat hij dat daar iets over zei,” vervolgt Rypkema. “Pooop Aaarte,” doet Rypkema Dali na. “Aaaaai aaam the founder of the Pooop Aaaarte.”

Later ontmoette Rypkema Dalí nog een keer, nu in een kerk in Cartagena. Er werd vermoedelijk een heilige herdacht. Een beroemde Franse fluitist – ‘hij speelde een gouden fluit’ – trad op. Dalí schreed pas binnen toen de kerk vol zat en nam samen met Gala – die dezelfde jurk van rijksdaalders droeg – plaats in een gebeeldhouwde troon. Het concert kon beginnen.

‘Captain’ Peter Moore bleek later een soort oplichter te zijn geweest. Hij verkocht werk van Dalí zonder zijn baas daarin te laten mee delen. In de jaren tachtig leidde het tot een breuk. Het zal Moore weinig hebben uitgemaakt. Die bewuste avond in Cartagena zei hij tegen Rypkema: “Sinds ik voor Dalí werk hoef ik niets meer te doen. Behalve af en toe naar mijn bankrekening te kijken.”

Dalí zelf kwam op een onfortuinlijke manier aan zijn einde. Hij had zich in de jaren tachtig al enige tijd teruggetrokken in zijn zelf ontworpen paleis in Figueres, het Teatro-Museo Dalí. Zijn inmiddels dementerende maar geliefde Gala gaf hem op een avond te veel van zijn medicijnen. De reeds kwakkelende man veranderde in een wrak. Enkele jaren later ontstond een nog steeds onopgehelderd brandje in zijn slaapkamer waardoor de Oude Meester ernstig gewond raakte. Het inmiddels broze lichaam herstelde moeizaam. Dalí overleed op 23 januari 1989.

Het was een meer dan welbestede Tweede Pinksterdag.