De porseleinkast van vriendschap

Wat een avond! De verfilming van Jack Kerouac’s cultboek On the road gezien en tweeëneenhalf uur in een roes verkeerd. Landschappen om in te verdrinken, stadsimpressies waardoor je meteen op reis zou willen, nachten die dampen van seks, drugs en jazz – ik kwam duizelend uit de bioscoop.

Behalve over dolen, drinken, schrijven en leven op het scherp van de snede, gaat de film ook over vriendschap en de grenzen daarvan. Hoe blij Sal Paradise en die andere beatniks waren dat ze elkaar hadden en hoe sommige wegen uiteindelijk toch splitsten.

Bij een nadronk in het cinemacafé moest ik denken aan mijn eigen porseleinkast van de vriendschap.

Ik leerde E kennen op de middelbare school. We kwamen maar niet uitgepraat over boeken en onze plannen met het leven, dagdromers als we waren. En toen we ver van elkaar weg kwamen te wonen, raakten we er maar niet over uitgeschreven. Tot E een vrouw vond en met haar een bedrijf begon. Zijn brieven kwamen met steeds grotere tussenpozen en uiteindelijk kwam er geen meer, ook niet na mijn laatste brief met de vraag wat er loos was. Ik denk dat hij onze oude band te dichterlijk vond voor het echte leven.

H woonde naast me op een studentenzolder, op een kamertje van twee bij twee boordevol planten, want H was gek op de natuur. Toen hij zichzelf terugvond als tuinman in Ierland, heb ik hem daar nog eens opgezocht. Armoe troef, maar groen was het, en gezellig. Na een jaar of tien was het voor ons beiden ineens over, al zou ik nóg niet weten waarom eigenlijk.

De kameraden M en F gaan gelukkig al een half leven mee en dat zal wel nooit meer veranderen. Een andere F ontpopte zich als een regelrechte fluim. T bleek een trouweloos man bij wie je maar beter nooit moest onderduiken. Maar er dienden zich ook nieuwe dierbaren aan.

Ik bedoel maar: met vriendschappen is het kennelijk net als met liefdesrelaties. De ene lost zomaar op, de andere ontploft in iets heel lelijks, maar een volgende heb je voor het leven.