Mijn buurman gaat dood. Maar hij wil nog niet

Nu gaan alle mensen wel eens dood. En mijn onderbuurman ken ik alleen van een ‘goedendag’ in het trappenhuis. Maar nu gaat hij dood. En dat gaat me toch aan het hart.

Het begon eigenlijk een jaar geleden toen hij zijn rozenstruik liet wegsnoeien. Hij had een prachtige rozenstruik in de tuin. Toen de struik weg was, dacht ik: hij leeft vast niet lang meer. Zoiets doe je anders niet. Zijn vrouw was een jaar eerder overleden. Partners gaan wel vaker kort na elkaar.

Een tijdje nadat de rozenstruik was weggehaald, moest hij met spoed worden opgenomen in het ziekenhuis vanwege een hartinfarct. En daarna nog drie keer. Maanden was hij weg. En de andere buren zeiden: het duurt niet lang meer. Zijn rolluikje was dicht. Soms kwamen er kinderen of kleinkinderen van hem langs om iets weg te halen uit zijn huis. Alsof iedereen een beetje zat te wachten op het einde. Van horen zeggen weet ik dat hij tussen de hartinfarcten door ook nog één of andere vorm van kanker heeft opgelopen. Ik dacht eigenlijk alleen maar: één dezer dagen heb ik nieuwe benedenburen.

En dat was misschien maar goed ook. Want mensen worden in Nederland wel erg lang met allerlei kunst- en vliegwerk en nepheupen en donorharten in leven gehouden. Kosten noch moeite worden daarbij gespaard, en het is maar de vraag of dat het altijd waard is. Daarover schreef Beatrijs Ritsema deze week haar mooie column Mijn moeder krijgt te goede zorg, om over na te denken. En daarover verscheen deze week de uitslag van een onderzoek onder artsen: meer dan zestig procent van de artsen vindt dat zij te lang doorgaan met patiënten behandelen in de laatste fase van hun leven.

Op een goede dag aan het begin van de lente was buurman terug. Ik had wat gerommel gehoord en het rolluikje was weer opgetrokken. Er was zelfs een feest geweest, met veel stemmen en muziek.
En toen zat hij daar in de tuin, in de eerste zonnestralen van het jaar. Hij had een nette broek aan met een goed gestreken hemd en hij rookte een shagje – want dat deed hij al zijn hele leven. Hij lachte naar mijn kinderen die nieuwsgierig door de spijlen van het balkon keken wie daar zat, en merkte op hoe mooi de bloesemboom dit jaar weer was uitgelopen – die ook in zijn tuin stond en gelukkig niet met de rozen was gekapt. Ik vroeg hem hoe het ging.
“Ik ben er nog!” zei hij met pretoogjes. “Ik ben er nog!”
Daarna vertelde hij over het feest laatst, het was ter ere van zijn tachtigste verjaardag.
“Het was een heel goed feest. Héél goed.”
Hij vertelde me over zijn ziekenhuisperiode, en dat hij wekenlang buiten bewustzijn was. Het was op het randje geweest.
“Maar weet je,” zei hij. “Ik ben zó blij dat ik er nog ben!”
Ik heb zelden iemand zo dankbaar zien leven.

Laatst is hij opnieuw opgenomen in het ziekenhuis, wegens vochtgebrek deze keer. Een andere buurvrouw zei: “Ja, hij moet natuurlijk gewoon euthanasie doen. Maar hij wil niet.” Tjonge, dacht ik. Het concept van euthanasie – Grieks voor goede dood – is toch dat je het zélf wilt? Anders kun je het beter: ‘hij wil zelf niet maar de rest van zijn omgeving wil hem graag dood’ noemen.

Ik weet niet of hij nog terugkomt uit het ziekenhuis deze keer. Ik weet niet of ik hem nog een keer zal zien zitten in de tuin, in het zonnetje, met zo’n vers gestreken overhemd aan tussen de tuinkabouters. Met een shagje in de ene hand en een biertje in de andere. Wel groeit zijn tuin langzaam vol met brandnetels. Die ga ik dit weekend voor hem wieden. Mocht hij dan terugkomen, stel dat het ze niét lukt om hem euthanasie aan te praten, dan ziet het er in ieder geval netjes uit.