Hoe moet dat eigenlijk, genieten?

Het gebeurde op de fiets. Ik was net bij de verloskundige geweest voor een injectie (voor de kenners: de anti-D) toen de wereld ging draaien en mijn adem stokte.

Dapper trapte ik door, want midden in de stad op de grond gaan liggen leek me ook zo weinig bevorderlijk. Mijn vriend, die naast me fietste, schrok: “Het lijkt wel hyperventilatie.” Een minuut of tien hijgde en piepte ik zo door, tot op een gegeven moment mijn adem weer tot rust kwam, en mijn benen stopten met trillen. Het was weer rustig.

Toch maar even checken of dit geen teken was dat de baby last had van die prik – hoe frustrerend trouwens, dat je ze daar niet tegen kunt beschermen – maar de verloskundige herkende het niet: “Het staat niet bij de bijwerkingen en ik heb het in tien jaar tijd ook nooit meegemaakt.” Ze vertrouwde erop dat het nu over was. De baby kon er geen last van hebben, verzekerde ze me. En ik vertrouwde dus maar weer op haar.

Het kwam niet terug en ik voel me weer prima, maar ik denk wel dat het een teken is. Een teken dat ik rustiger aan moet doen.

Spruitjeslucht
Mijn zwangerschapsyogajuf aarzelt niet om het elke les te herhalen: neem je tijd, geniet van je zwangerschap en werk wat minder (hard). Vooral dat ‘genieten’ daar kan ik niet zoveel mee en ik ruik bijna de spruitjes als ze weer aan haar mantra begint.

Maar ze heeft natuurlijk wel gelijk. Dit is een once in a lifetime-experience (oké, misschien maak je het wel twee, drie of zelfs vier keer mee, maar dan houdt het ook wel op) en daar moet je niet te snel aan voorbij gaan.

Bovendien maken die anderhalve liter bloed die je extra rondpompt, die twaalf kilo die je extra meetorst, en die schattige parasiet die één op één alle energie uit iedere hap die jij naar binnen werkt zuigt, het dagelijkse leven toch net iets pittiger dan anders. Zoals het LUMC hier ook aangeeft; er worden maatschappelijk gezien best hoge eisen gesteld aan zwangere vrouwen. Dat zou een bron kunnen zijn van extra klachten als bekkeninstabiliteit.

Ik snap dat wel. Ook ik zie het ’genot’ van het zwanger zijn niet echt in als ik doodop van weer een slapeloze nacht door de stromende regen, langs stinkende uitlaatgassende auto’s hijgend naar mijn werk ploeter om daar een hele dag semi-lollige opmerkingen te krijgen over mijn buik.
De zwangerschapsjuf zag de dracht van haar kinderen heel anders. “Ik liep negen maanden trots als een pauw rond toen ik zwanger was, met mijn buik zo ver mogelijk naar voren, zo van: zien jullie het wel?”, vertelde ze blij.

En: “Bij jullie, jongere generatie, heb ik soms het idee dat jullie liever helemaal geen buik hebben, en, als het even zou kunnen, het liefst maar twee weken zwanger zouden willen zijn.”

Op de dagen dat ik werk, kan ik niet anders dan dat beamen. Dan heb ik zeker geen behoefte om met een dikke buik rond te paraderen: dan wil ik gewoon doen waarvoor ik betaald word.
Het is ook niet alsof ik het erg vind om zwanger te zijn trouwens, ik vind ik het er vooral gewoon bij horen. Maar sinds het hijgincidentje wil ik dus wat anders: ik wil rustiger aan doen en ik wil ervan genieten.

Hoe doe je dat: genieten?
Na drie uur languit op de bank, was ik de afgelopen week geen steek minder vermoeid, en van genieten was geen sprake. Wat deed ik verkeerd? Waarschijnlijk kwam het doordat ik ondertussen de hele tijd dacht aan de dingen die ik eigenlijk nog moest en wilde doen. En dat is fout.

Ook dat wíllen doen, zo legt Amerikaans hoogleraar Psychologie Roy Baumeister uit, kost namelijk energie. Hij onderzocht het fenomeen wilskracht en kwam tijdens een praatje in Amsterdam met het volgende voorbeeld:
als je ziek bent, en je toch achter de computer kruipt om wat werk te doen, vertraag je je herstel. Want: al doe je fysiek niks, je bent wel uit je wilskracht aan het putten en dat kost ook energie. Je wordt er letterlijk moe van. Bovendien is dat wat je doet toch slecht van kwaliteit, meent Baumeister. Zijn advies: ga als je ziek bent gewoon in bed liggen en denk alleen aan je herstel.

Een parallel naar het zwanger zijn, is, denk ik: ga op de bank of in bad liggen en denk aan de baby. Hoe die eruitziet, hoe die gaat heten, wat je hem zou willen geven in het leven, dat soort dingen.

Mijn tweede goede voornemen: geen afspraken meer vooruit plannen. Ik vond ‘m onder tip zes op deze pagina over hoe wat meer te genieten van het nu. Eigenlijk is de tip: stel wat minder eisen, dan hoef je jezelf ook niet zo vaak teleur te stellen. Maar ik heb ‘m voor mezelf even vrij vertaald.

Omdat aan mijn vijf werkdagen niet zoveel te schaven valt en ik bovendien van mening ben dat mijn collega’s niet hoeven te lijden onder mijn nieuwe hobby, zal dat in de privésfeer moeten gebeuren. Vanaf nu -of eigenlijk vanaf volgende week, want die zit al vol- blijft mijn agenda buiten werktijd dus leeg. En ga ik ‘genieten’.

Meester in het genieten
Ik weet nog niet of het me gaat lukken. Van nature ben ik nogal een druktemaker, dus makkelijk zal het niet zijn. Ik neem een voorbeeld aan de poes, die ultiem niks kan doen. En ook in de mensenwereld heb ik al een rolmodel gevonden: dat is mijn stiefvader. Hij is meester in het niks doen.

Nadat hij mijn moeder heeft uitgewuifd naar kantoor zijgt hij op de maandagochtend, wanneer iedereen zich gestresst in een nieuwe werkweek stort, in joggingbroek en kabeltrui neer op hun twintig jaar oude blauwe Chesterfield, om daar de eerstkomende vier uur niet meer af te komen.
Ongegeneerd kijkt hij Duitse achtergrondprogramma’s (hij vindt Duitse televisie nu eenmaal veel beter dan de Nederlandse) en Discovery documentaires. Tussendoor hakt hij eens een houtje, of eet hij eens een boterham, maar daar blijft het dan ook wel bij.

Eerder vond ik hem lui. Maar dat is hij niet, naast meester in het niets doen is hij namelijk ook toneelmeester en werkt dus vooral in de avonden en de weekenden. Maandag is zijn ‘bijkomdag’.

Hij is niet lui, hij is juist slim, want als hij (n)iets doet, doet hij het goed.
En niet zo half en hyperventilerend als ik.