Wij zijn scharminkels, maar we vreten

Naast het fietsen zelf is het kijken naar elkaars bord ook een sport onder wielrensters. We gluren naar wat erop ligt, en vooral wat niet.

We bestuderen stiekem hoe het voedsel naar binnen gewerkt wordt. Wordt er echt gegeten? Of alleen in het bord rond geroerd? Wordt er nog een keer opgeschept? Hoeveel? Wat wordt er meegenomen, stiekem in zakken gemoffeld, in lege drinkbekers geprakt of gaat de prullenbak in?

Aan de eetgewoontes van je ploeggenoten ben je na het eerste trainingskamp wel gewend. Dan weet je precies wie enkel sla op haar bord laadt, welke renster altijd met een linnen tasje vol exotische kruiden en dito smeersels rondloopt en wie het liefst een half dozijn hardgekookte eieren – zonder dooier – naar binnen werkt bij het ontbijt.

Het is vooral tijdens de etappekoersen dat we elkaars eetgewoontes heimelijk observeren. Soms zitten de ploegen verspreid over verschillende hotels, maar het komt even vaak voor dat we met het hele peloton in dezelfde ruimte eten. Dat kan het restaurant van een hotel zijn, maar ook een schoolkantine, de gemeenschappelijke ruimte van een camping of de aula van het stadhuis. Meestal eten we van een lopend buffet – een ideale omgeving om redelijk onopgemerkt te bestuderen wie wat eet en hoe.

In combinatie met de eetgewoontes wordt ook vastgesteld wie er allemaal ‘scherp staan’. Dat is een eufemisme voor mager zijn. Op scherp staan ben je trots. Hoe meer aderen er bovenop armen en benen liggen, hoe beter. In het wielrennen draait het allemaal om gewicht, immers. Je fiets moet zo licht mogelijk zijn en de kleding zo strak en aërodynamisch als maar kan. Maar in welk gewicht valt het meeste te winnen, of eigenlijk te verliezen? Juist, in dat van je eigen lichaam.

‘Scherp staan’ kan dus ook fout gaan. Topsport is balanceren op het randje, en soms kukel je erover. Zo staarden wij de afgelopen twee jaar in de Giro d’Italia voor vrouwen allemaal, met alle honderdveertig rensters bij elkaar, zo’n beetje onafgebroken naar het bord van één collega, wachtend op het onafwendbare. Het betrof hier een bijzonder magere collega, die het ene jaar zo weinig woog en daardoor zo sterk was dat ze de Giro won, en het jaar erna bij het minste zuchtje wind al van de fiets geblazen werd. Haar ploeggenoten moesten haar op het vlakke duwen om te zorgen dat ze in het peloton bleef, wat tot zulke gevaarlijke capriolen leidde dat een van mijn ploeggenotes na een paar dagen wanhopig uitriep: “Stop pushing her! Just give her an energybar!” Ze is inmiddels gestopt met fietsen, gelukkig. Om op krachten te komen.

Dit is een uitzonderingsgeval. Want hoe scharminkelig we er ook uitzien, de meeste vrouwen in het peloton eten als slootgravers. Als wij neerstrijken in een restaurant, lijken we net een horde sprinkhanen. Tot ontsteltenis van de bediening is al het eetbare dat ze met zoveel zorg hebben bereid binnen twee keer knipperen met de ogen verdwenen. Dat is van het hele eetgebeuren nog het meest fascinerende om naar te kijken: petieterige meiden met stokjes als armen en benen die bergen pasta wegschrokken, hompen biefstuk naar binnen werken en kilo’s brood vermalen.

Dus, hoteleigenaren van Nederland, mochten we met het hele peloton eens jullie uitspanning aandoen, wees dan gewaarschuwd. Ons postuur is misleidend. We eten niet. Wij vreten.