Hallo Mesut

Foto: ANP

José Mourinho zei over jou: “Van Özil bestaat geen kopie, zelfs geen beroerde kopie.”

Nu zal ik niet zeggen dat ik alles geloof wat José Mourinho te berde brengt – sterker nog: als ik iemand wantrouw, is het José Mourinho wel, ik zou nog geen tweedehands kruimeldief van hem overnemen – maar op deze observatie van hem vaar ik al lange tijd blind.

Iedere keer als ik je zie spelen, Mesut, denk ik aan Zidane, aan Redondo, aan Hagi, aan Litmanen. Voetballers die ik ooit bestudeerde alsof mijn leven ervan afhing. Bestuderen doe ik niet meer, kijken nog wel.

En Mesut, je bent beter. Je bent sneller dan Redondo, intelligenter dan Hagi, verfijnder dan Litmanen en je hebt mooiere ogen dan Zidane (je kent de website Girlswithmesutozileyes.tumblr.com wel, toch?)

In de Volkskrant stond gister een lekker lang, over twee pagina’s uitgesmeerd artikel over je. Ik weet niet of je de Volkskrant kunt krijgen bij jullie in het hotel, dus ik vat het even voor je samen.

Het verhaal ging over je jeugd, over je roots zogezegd. Freud heeft lang zijn best gedaan iedereen te overtuigen van het feit dat al hetgeen in je volwassen leven gebeurt te herleiden is tot je jeugd. Ik weet niet precies wat de huidige stand van zaken in de psychiatrie is, maar de sportjournalistiek is er nog altijd heilig van overtuigd: aan de jeugd van de sporter kun je alles aflezen. De jeugd van de voetballer is voor sportjournalisten wat de handpalmen voor oude zigeunervrouwen zijn.

Ik ben dol op die verhalen, en met mij vast vele anderen, want kranten en tijdschriften staan er vol mee, zo rond het EK. En het aangename is: ze zijn allemaal identiek. Kopieën dus.

De Volkskrant was naar Bismarck afgezakt, een verloederde immigrantenwijk in Gelsenkirchen, een stad waar de zon toch al niet zo vaak schijnt. Daar, tussen grauwe flats, staat een voetbalkooi die in de buurt bekend staat als de Apenkooi, de Affenkäfig. Fraai detail: de buurtbewoners verwijzen de journalist ‘zuchtend’ naar de bewuste kooi, zelfs zonder dat hij er ook maar naar heeft kunnen vragen. De Apenkooi is voor de Bismarckers wat het San Marco-plein voor Venetianen is: een toeristische attractie waar je het beste wegblijft.

De Apenkooi blijkt een voetbalkooi van het aftandse soort. Uitstekend voor de mythevorming: een keurig bijgehouden kunstgrasveldje met doeltjes met netten en een fietsenstalling ernaast, daar ontluiken geen grote voetbaltalenten. Nee, aftands en verveloos moet het wezen, een betonnen treurnis waar valse zwerfhonden rondscharrelen en de plaatselijke dronkelap de teams indeelt.

In het Volkskrant-stuk was een belangrijke rol weggelegd voor je vader. Mustafa Özil, zelf ex-voetballer (levensbelangrijk detail: een jongen wiens vader sport haat en die liever naar opera’s luistert en gedichten van Heine en Hölderlin leest, kan een grote carrière wel vergeten), wordt omschreven als een vader die hemel en aarde bewoog om van jou een topvoetballer te maken. Hij bood je van jongs a faan al bij profclubs in de buurt aan, met hetzelfde op niets gebaseerde vertrouwen waarmee onontdekte schrijvers hun manuscript aan uitgevers aanbieden.

De krant sprak ook je eerste jeugdtrainer, Ralf Maurer. Eerste trainers zijn onmisbaar voor een verhaal over een voetballersjeugd, en ook voor hen gelden strikte regels: zij moeten nog steeds bij dezelfde club werken (check), het moeten gezonde, opgewekte mannen zijn (check), ze moeten het onmiddellijk in je gezien hebben (check) en ze moeten altijd een anekdote paraat hebben over die keer dat je alle doelpunten maakte in een grandioos gewonnen wedstrijd, liefst de eerste die je ooit speelde (check).

Er ontbraken echter toch nog een paar onmisbare details.

De Duitse krant Die Welt verdiepte zich twee jaar geleden al in je, las ik. En ook daar weer: de Apenkooi, de autoritaire vader, de treurnis van Bismarck. De krant was ook op je oude middelbare school geweest (altijd goed). Daar werden ze rondgeleid door ene Christian Krabbe, ken je hem nog? Waarschijnlijk wel. Hij heeft namelijk je 06-nummer en toont dat om de haverklap aan leerlingen die het even niet meer zien zitten. Wanneer ze hem niet geloven, belt hij je op. Gewoon, in de les. Ik hoop dat je dan opneemt met “Hallo, met Autoschadecentrum Müller uit Braunschweig. Waarmee kan ik u van dienst zijn?” maar daar zul je wel te sympathiek voor zijn.

Krabbe vertelde nog wel wat moois: vanuit je vaste plek had je zes jaar lang uitzicht op de bouw van het nieuwe Schalke-stadion. Het doet me denken aan de jongetjes die in de Feyenoord-jeugd voetballen en aan de overkant van de weg de Kuip zien oprijzen.

Die Welt interviewde ook je broer Mutlu, aan wiens hand je voor het eerst de Apenkooi binnen ging. Mutlu zelf kon trouwens ook niet onaardig voetballen, vermeldde de journalist terloops. Dit is cruciaal, Mesut: veel grote voetballers hadden een grote broer die overvleugeld moest worden. Johan had Hennie, Wesley had Jeffrey en Ronaldinho had Roberto. En jij had Mutlu.

Volgens Mutlu voetbalde je altijd: zomer of winter, zon of sneeuw. Je zussen moesten je komen roepen als het eten op tafel stond, en dan nóg kwam je niet meteen. Het is niet alleen het verhaal van alle grote spelers, maar ook dat van miljoenen die nooit zo groot werden, maar wel even betoverd waren door de bal als jij. Een oud-docent spreekt in een ander artikel het vermoeden uit dat je met de bal sliep – een groter cliché is nauwelijks denkbaar, Mesut, en juist daarom is het zo belangrijk.

Om school gaf je niets – diezelfde docent noemde je zelfs licht autistisch. Uitstekend, een brede belangstelling is er voor talentlozen.

Tot slot vond ik ook nog het verhaal van Marvin Pachan. Hij is de ontbrekende schakel in jouw geschiedenis. Marvin Pachan was de aanvaller wiens talent als een schaduw over je heen viel. Iedereen keek naar Marvin Pachan, totdat ze plotseling op hem uitgekeken waren. Marvin Pachan voetbalt tegenwoordig in de vijfde klasse.

De Marvin Pachan van Cruijff heette overigens Gerrie Splinter.

Je jeugd is een kopie van een kopie van een kopie, Mesut. Je succes, gebouwd op het fundament van wat Angela Merkel de definitieve mislukking van het multiculturele project noemde, is het gedeelde succes van Bismarck. Iedereen mag met zijn handen over jouw succes gaan, net zo lang tot er een splintertje van in hun vinger achterblijft. Zelfs Christian Krabbe. Jij zal zwijgen.

Een extreemrechtse NPD-politicus noemde je ooit een Plastedeutscher, een namaakduitser dus. Jouw antwoord was het meest langgerekte zwijgen uit de geschiedenis van de stilte, met dezelfde superioriteit die je op het veld bezit. Bij Real noemen ze je Nemo, naar het Pixar-visje. En ook als dat gebeurt, zwijg je.

Vanavond, tegen Nederland, zul je vooraf zwijgen. Je zult na de wedstrijd zwijgen. Je zult Oranje omver zwijgen en het in een ravijn van stilte duwen.

In de kleedkamer zit je telefoon vol gemiste oproepen en felicitatieberichtjes.

Mustafa. Mutlu. Marvin Pachan. Mourinho. Ralf Maurer.

Dan gaat je telefoon. Iedereen om je heen juicht. Op het schermpje verschijnt de naam van de beller. Christian Krabbe.

Ik denk dat je opneemt.

Alles gute.

 


  • Erick

    Mooooooiii!!