Voetbal met mensenhoofden

Sehr Geehrter Herr Kurt Tucholsky,

Wanneer ik dezer dagen van mijn flat in een buitenwijk naar de binnenstad fiets (of vice versa), kom ik door straten waar nog altijd de oranje vlaggetjes wapperen.

Vaderlandsliefde
Zij die een echte driekleur bezitten, hijsen hem nog steeds zonder schaamte in top. Bij de supermarkt kun je ook vandaag nog uitsluitend spullen kopen die op de een of andere manier de suggestie van onvoorwaardelijke steun aan het eigen team wekken.

Vaderlandsliefde in tijden van cholera.

Wedstrijden van het Nederlands elftal heb ik in cafés bekeken, omdat iedereen die ik ken dat doet, en je wilt niet flauw zijn. Bovendien geven die cafés de hele zaak een rondje bij ieder Oranjedoelpunt, of bij een eigen doelpunt van de tegenstander.

Het rondje na het doelpunt van Van Persie sloeg ik even over. Het zijn tot nog toe geen wedstrijden om gelukzalig laveloos van te worden, dit toernooi.

In de universiteitsbibliotheek waar ik deze weken mijn dagen slijt, belandde ik gisteren op de afdeling Duitse letterkunde. Niet erg loyaal van me, maar het gebeurde gewoon. Daar, op een vergeten plank, stond alles wat u ooit geschreven heeft.

Ik kende uw naam, niet uw oeuvre.

Fussbal mit Menschenkopfen
In uw Verzameld Werk (toch nog een kleine twintigduizend pagina’s) trof ik een artikel dat u schreef in augustus 1926. ‘Fussball mit Menschenköpfen’ heet het, maar dat is een metafoor, als ik u tenminste goed begrijp.

In dat artikel maakt u korte metten met een blaadje dat in die tijd werd uitgebracht door het zevende Regiment van de Reichswehr, ‘Sportnachrichten’. Het blad probeert de lezer warm te maken voor het belang van sport voor de natie, de versterking van lichaam en geest en het uiteindelijke doel dat ‘nationale eenheid’ heet. U vindt dat gevaarlijk, sport moet niet ten dienste worden gesteld van een nationaal idee en zeker niet van een idee dat wordt uitgedragen door een enge club als de Reichswehr. De lichamelijke en geestelijke gezondheid die de sport lijkt te beogen, dient slechts één doel, dat van de strijd en de uiteindelijke overwinning.

Met dat laatste lijkt niet zoveel mis. Sport verbroedert tenslotte, of die verbroedering nu het doel of het middel is. Toch?

Is onberedeneerde vaderlandsliefde iets om bang voor te zijn? Impliceert verbroedering met de een automatisch vijandschap met de ander? De wedstrijd tegen Duitsland bewees toch het tegendeel: even boeiend en even goed als het gemiddelde TROS Muziekfeest.

Het is intussen ruim 85 jaar later, u bent al bijna tachtig jaar dood en uw twintigduizend pagina’s tegengeluiden staan te verstoffen in de kelders van universiteitsbibliotheken.

René Froger 
Sport wordt door de overheid alleen nog gepropageerd voor dikke kinderen. Kranten en tijdschriften die over sport schrijven zijn er nog steeds, maar zij doen dat in de wetenschap dat de klant niets liever wil lezen. Supermarkten creëren behoeften waaraan zij vervolgens moeten voldoen, cafés evenzeer – de enige kroegen die hun zaak dezer dagen níet oranje hebben opgetuigd, doen dat omdat zij juist daarin het gat in de markt vermoeden.

Als Dries Roelvink en René Froger met hun EK-nummers een ander doel hebben dan winst maken, slagen zij er vooralsnog uitstekend in dat te verbergen. Oranje wordt niet mede mogelijk gemaakt door ING, de kwartaalcijfers van ING worden mede mogelijk gemaakt door Oranje.

Het nieuwe nationale idee heet winst, de nieuwe dictatuur is die van de vrije markt. Dit briefje hoort daar ook bij, net zo goed, het is niet anders. Denk maar niet dat je je eraan kunt onttrekken; de eigen wil is lang geleden verkocht. Voor een goede prijs, dat wel.

Met onze hoofden wordt gevoetbald, en weet, als Mario Gómez straks als topscorer van het toernooi gehuldigd wordt: de commercie scoort nog altijd meer.

Dank voor uw waarschuwingen, maar we hebben democratisch besloten ze in de wind te slaan. Waarom zouden we luisteren: we hebben verdorie nog een kans, we kunnen nog altijd de kwartfinales halen. Als u me nu wilt excuseren: ik ga René Froger zoeken om m’n arm om zijn schouders te slaan, dat vindt mijn bank een goed idee.

Zeg niet: ik heb het toch gezegd. Zeg maar niks, we luisteren al lang niet meer,

Met de meeste hoogachting.