‘Meestal doe ik na negenen niet meer open voor beroemde voetballers’

Net op het moment dat ik op het punt stond heerlijk weg te dommelen bij Portugal – Tsjechië (sorry, ik was gewoon moe), ging de bel.

Op dat soort momenten denk ik altijd even aan de grote Peter R. De Vries, van wie ik eens de uitspraak las: ‘Als op zondagavond tijdens Studio Sport de telefoon gaat, denk ik altijd: welke lul kan er nú bellen?’

Mijn eerste gedachte was: iemand anders doet wel open. In het huis waar ik woon, wonen nog vier mensen, die allemaal goed ter been zijn en geen van allen van voetbal houden.

Maar er kwam niemand.
Er werd nog eens gebeld en nog eens en toen nog een vierde keer.
Na die vierde keer bleef het even stil.
Meteen daarna sloeg de bliksem in. Vlakbij.

Even vreesde ik dat mijn luiheid een argeloze pizzakoerier of doornatte collectant fataal was geworden en vroeg me af of ik nu wegens nalatigheid achter de tralies zou verdwijnen.

Het schijnt dat ze in de meeste gevangenissen Eredivisie Live hebben.

Daar ging de bel weer. Dit keer bleef hij gaan: het geluid van iemand die zijn vinger op het knopje gedrukt houdt, de geïrriteerde noodkreet van de buitengeslotene.

In films staat er dan meestal een lang verloren geliefde voor de deur, of een seriemoordenaar. Ik heb het niet zo op seriemoordenaars, en mensen en dingen die ik verloren ben, hoef ik over het algemeen niet terug, anders had ik wel beter gezocht.

Het was kortom uit louter humane overwegingen – de bliksem sloeg nog eens in, alsof er ergens vlakbij een openluchtvergadering van lange ijzeren staven aan de gang was – dat ik me van de bank hees en naar het telefoontje naast de deur sjokte.

Ik wierp nog een laatste blik op de tv: het stond nog 0-0. Niks gemist.
Ik nam de telefoon van het haakje.
‘Hallo?’
‘Hallo.’ Mannenstem.
‘Voor wie kom je?’
Stilte.

Voor ik het doorhad, had ik al op het ‘ontgrendelen’-knopje gedrukt.
Beneden in de galerij werd de deur geopend en viel vervolgens in het slot.
Als ik een gokker was, had ik geld ingezet op de mogelijkheid dat ik zojuist een seriemoordenaar de flat had binnengelaten.

De lift zoemde, en stopte op onze verdieping.
Het geluid van de elektrische deuren.
Voetstappen. Kort, vinnig.

Met mijn oog tegen het spionnetje in de deur wachtte ik de komst van de seriemoordenaar af. Ik nam me voor om nu geconcentreerd te blijven en de deur niet nóg eens zomaar te openen.

Voetstappen op de gang.

In de verte hoorde ik Jeroen Elshoff nog een anekdote opdissen. Misschien was dit het laatste wat ik bij leven horen zou: het gesmoorde geluid van Jeroen Elshoff. Je kunt het slechter treffen, zeker, maar je moet je best doen.

Daar was-ie.
Godsamme.
Dit was het.
Het Einde.
Toch nog onverwacht.

Ik drukte mijn oog nog wat dichter tegen het spionnetje, want als het noodlot voor de deur staat, wil je dat toch nog even manhaftig in het gelaat zien.

Voor de deur van mijn flat, op het WELKOM-matje, de haren glanzend van een of andere stortbuibestendige brillantine, de tanden keurig gebleekt en volgens de laatste mode geordend, diamantjes in de oorlellen, stond jij.

Cristiano Ronaldo, op donderdagavond op de vierde verdieping voor de deur van een sociale huurflat in een Utrechtse buitenwijk.

Als dit het noodlot was, had ik me er te druk om gemaakt.

Ik had de deur ook dicht kunnen laten, naar mijn kamer kunnen gaan, het volume van Jeroen Elshoff een beetje opvoeren en de hele zaak vergeten. Meestal doe ik na negenen niet meer open voor wereldberoemde voetballers met een imagoprobleem.

Voor deze keer besloot ik een uitzondering te maken. Het regende zó hard.

De deur zwaaide open en je dribbelde meteen naar binnen, als een Jehova’s getuige die een quotum moet halen. Voortvarendheid is de karaktertrek van veel succesvolle mensen, overrompeling vaak hun enige strijdplan.

Mensen die je uitsluitend van televisie kent zijn vaak kleiner dan je verwacht. Soms zijn ze groter en heel soms zijn ze precies even groot als je ze had voorgesteld.

Jij Cristiano, jij was zo ontzettend veel groter dan ik me je had voorgesteld dat ik even aan mijn moeder moest denken, mijn moeder die altijd zegt: geloof niet alles wat je op televisie ziet.

Mijn moeders vleesgeworden gelijk groette kort, liep langs me heen de gang in, rechtsaf via de keuken naar de huiskamer, recht op de gesmoorde tonen van Frank Snoeks af.

Er zat weinig anders op dan achter je aan te sjokken en hopen dat dit allemaal goed zou aflopen – Gregory van der Wiel weet hoe ik me voelde.
In de huiskamer zat je al languit op onze gemeenschappelijke kringloopbank, mocassins op het bijzettafeltje.

Samen keken we naar het scherm. Daar liep je door het beeld, live, een kleine drieduizend kilometer verderop. Er waren twee mogelijkheden: of dat was een herhaling, of dit.

We keken en zwegen. We zwegen en keken.
Het duurde een paar minuten voor ik de gastheer in mezelf had teruggevonden en je iets te drinken aanbood.

‘Sssssttt,’ zei je en gebaarde dat ik moest gaan zitten.

Op m’n eigen bank.
In gespannen stilte keken we naar de tweede helft.
Ik vroeg of je echt niks wilde drinken.
Wat ik allemaal had, vroeg je.
Nou, eeh, watertheeroosviceebierwijnmelksap.
Of ik ook koffie had. Dat wilde je wel, maar niet als ik alleen voor jou moest zetten. Dan was thee ook goed, of anders water.

Watertje, zei je.
Traag begon zich iets te ontspinnen dat op een gesprek begon te lijken.

We spraken over het EK, over de parkeerproblemen in grote steden, kappersbezoeken en de ongemakkelijke stiltes die daarmee gepaard gaan, de Eurocrisis (wisten we allebei niet zoveel van, maar wilden we toch niet onbesproken laten), judo, de toekomst van de kranten in het Internettijdperk, José Saramago (wist je veel van!), de Keulse rockband BAP (kende je die echt niet?), de fusie van selexyz en De Slegte (dat je dat helemaal gemist had, joh!), het gedoe om van die plastic verpakkingen open te krijgen, kipsaté of varkenssaté, Twitter of Facebook, honden of katten, fitnessabonnement nemen of per keer betalen…

Ik zei dat ik niks had voor bij de koffie.
jij zei dat dat niet gaf, dat je op je lijn probeerde te letten. En waar het toilet was.

Bij terugkomst zat je haar anders. Maar echt: helemaal anders.
Zeg eerlijk wat je vindt, zei je.
Met nog ruim een kwartier te spelen, stootte je me aan. Opletten.
We letten op.
Goed hè, zei je. Mooi hè?
Ja, zei ik. Mooie kopbal.
Na de wedstrijd vroeg ik of ik je nou moest feliciteren of niet.
Jij vond van wel.
Daarna keken we Studio Sportzomer, en VI Oranje, en de herhaling van het late journaal.

Wat een weer, mompelde ik.
Zomerse buien, mompelde jij.
Na het journaal stond je op. Morgen ging het wekkertje tenslotte weer.
Ik kreeg een hand en een boks en weg was je.
Naar de halve finale.

Wat ik nog wilde zeggen: heel gezellig, voor herhaling vatbaar en zo, maar volgende keer graag wel even van tevoren bellen. Kleine moeite.

Tot de volgende,

Frank