Een zachte dood krijg je niet zomaar

kanarie

Deze week is het drie jaar geleden dat mijn schoonvader eindelijk stierf.

Tweeëneenhalf jaar daarvóór had hij een zwaar herseninfarct gekregen. Al snel werd duidelijk dat hij halfzijdig verlamd was geraakt en dat hij niet meer kon praten, lezen en schrijven. De enige woorden die hij nog wist te vinden waren ‘nee’, ‘juist’, ‘godverdomme’ en – merkwaardig genoeg – ‘ons opa’.

Als hij iets wilde zeggen, moesten we uit de intonatie van ‘ons opa, ons opa,’ afleiden wat hem bezighield. Wilde hij naar buiten? “Nee.” Ging het dan om de verpleging? “Nee, ons opa!” Had hij bezoek gehad? “Juist!” Soms kwamen we er niet uit, wat hem mateloos frustreerde.

Via het ziekenhuis kwam hij in een verpleeghuis in zijn woonplaats terecht. Aanvankelijk vond hij het fijn weer op vertrouwd grondgebied te zijn en af en toe een uurtje naar huis te kunnen. Maar gaandeweg kwam het besef dat zijn toestand nooit meer zou verbeteren, alleen verslechteren, en dat hij was geworden wat hem altijd een schrikbeeld had geleken: patiënt in een deprimerend verpleeghuis, totaal afhankelijk van anderen, beroofd van zijn waardigheid en kwaliteit van leven. Toen hij nog gezond was, had hij meegemaakt hoe mensen uit zijn omgeving dit noodlot toebedeeld kregen. Dat wil ik nooit, zei hij.

Het verplegend personeel, wetend hoe dol hij was op vogels, gaf hem met Sinterklaas eens een kanarie. Echt aardig van de zusters, jammer alleen dat de vrolijke zanger die ze in gedachten hadden zelden of nooit floot. Het was een treurig beeld, dat stille vogeltje in zijn kooitje naast mijn stille schoonvader opgesloten in zichzelf.

Hij werd somberder en somberder. Zelfs de glimlach waarmee hij zijn blijdschap met bezoek toonde, week op den duur. Als we vroegen hoe het hem verging, maakte hij wegwerpgebaren: “Ons opa. Verdomme!”

Hij zal anderhalf jaar in het verpleeghuis hebben verbleven, toen hij met een nieuw gebaar kwam: een vlakke hand langs zijn hals. We schrokken ervan, ook al snapten we het maar al te goed. “Heb je er genoeg van, pap?” “Juist!”

Het keelgebaar kwam zo regelmatig, dat we begrepen dat het hem ernst was, wat hij desgevraagd ook bevestigde. Na onderling overleg onderzochten zijn kinderen de mogelijkheden van euthanasie.

De eigen huisarts kende hem al langer en zou zijn doodswens misschien wel begrijpen. Maar die bleek geen partij, want wie in een verpleeghuis komt te wonen, valt voortaan onder de hoede van de verpleeghuisarts. Die laatste wilde niet meewerken aan euthanasie, bleek in een onderhoud. De arts was er niet van overtuigd dat (schoon)vader zo niet meer verder wilde leven. Daar zou nader onderzoek, bijvoorbeeld door een psycholoog, voor nodig zijn. En dat was gezien zijn status wel erg lastig.

We konden ook niet terugvallen op een euthanasieverklaring, want die ontbrak. Maar was de verklaring er wél geweest, dan hadden wij er ons toch niet op kunnen beroepen, leerden we. Als het zover is, moet betrokkene de verklaring namelijk ook weer overtuigend kunnen bevestigen, en tja…

Conclusie: denk niet dat je dankzij een goede band met je huisarts en een eventuele euthanasieverklaring een zachte dood veilig hebt gesteld.

Mijn schoonvader heeft nog maanden diep ongelukkig in zijn rolstoel gezeten. Op een dag was hij er klaar mee en besloot hij in bed te blijven en niet meer te eten. Zijn conditie ging gestaag achteruit, tot een meevoelende invalarts in samenspraak met de familie besloot zijn lijden te verzachten met behulp van morfine. Na een tweede palliatieve handeling gleed hij geleidelijk aan uit het leven weg. De rust die uiteindelijk over zijn gezicht lag, deed ons goed.


Reacties zijn gesloten.