De Nijmeegse filosoof en hoogleraar Ger Groot typeerde die uitspraak in NRC Handelsblad als een “aantasting van de fundamenten van onze parlementaire democratie” en constateerde dat “de vrijheid van politieke partijen om zich naar eigen inzichten te organiseren almaar kleiner wordt”. Dat het Europees Hof zich nu achter het vonnis van de Hoge Raad heeft geschaard, maakt de zaak er alleen nog maar ernstiger op.
Want what’s next? Schendt de Nederlandse Vegetariërsbond straks het gelijkheidsbeginsel jegens niet-vegetariërs als ze weigert een slager tot voorzitter te benoemen? Gaat het COC straks gekapitteld worden als ze geen heteroseksueel in het bestuur wil? Krijgt het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap straks met de rechter te maken als ze in synagogen alleen joden wil laten voorgaan?
Bovendien: wat let mensen die het niet eens zijn met het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP om een staatkundig-gereformeerde partij op te richten die vrouwen wél toelaat op de kieslijst? Anders gezegd: waarom moeten in deze kwestie mensen worden gedwongen tot iets wat ze niet willen, als het ‘probleem’ ook zonder dwingelandij kan worden opgelost?
In essentie zijn de uitspraken van de Hoge Raad en het Europees Hof een uitvloeisel van een uit de jaren zestig en zeventig daterend misverstand dat - helaas - nog altijd breed leeft. Want het gelijkheidsbeginsel is niet bedoeld om het onderlinge verkeer tussen burgers mee te belasten, maar om die burgers te garanderen dat ze door de overheid gelijk worden behandeld. Alle andere interpretaties führen zum Teufel en de SGP is waarachtig niet de enige club die zich daar niet thuis zal voelen.






