De hond en zijn baasje

Weemoed naar Zip, de hond van Matt Dings. Foto: Matt Dings

Al achttien jaar heb ik geen hond meer, maar nog steeds kan ik zwakke knieën krijgen als ik een fijn exemplaar tegenkom. 

Vandaag zag ik een geinig hondje in een park, een dartel dier dat duidelijk zin had in het leven en af en toe met vier poten tegelijk de lucht in sprong. Het werd uitgelaten door een vrouw die mijn belangstelling uitlegde als sjansen en een ongeïnteresseerde blik terugzond. Ik kon moeilijk gaan uitleggen dat ik meer aardigheid had in haar hondje dan in haar zelf en keek maar weer voor me uit. Zoals zo vaak besloop me een lichte weemoed, een zoet heimwee naar mijn jaren met een hond, waarvan ik wist dat het snel weer door de rede zou worden overstemd, want heus, om allerlei praktische redenen wil ik geen hond meer.

Maar toch. De band tussen een hond en zijn baasje is een verbond dat zijn gelijke niet kent. Alleen al die begroetingen als je maar even weg was geweest: nooit ben ik blijer onthaald dan door mijn honden. Ik maak de herinnering niet mooier als ik me voor de geest haal hoe innig tevreden ik kon zijn als ik met een hond door het bos en over de heide wandelde. Zodra ik een stok pakte, stierf hij zowat van geluk. Hij mocht apporteren! En als hij dan terug kwam draven, de stok stevig tussen de tanden, de oren wapperend langs zijn trotse kop, dan losten zich voor mij subiet alle puzzels van het bestaan op.

De eerste heette Boris, de tweede Zip, allebei Grote Münsterlanders, reu en teef, de één vooral stoer, de ander vooral lief, beiden zwart-wit en langharig. Als jachthonden voelden ze zich in het vrije veld het meest in hun element, de neus in de lucht of tussen de struiken, op zoek naar een spoor. Maar ik zie ook nog voor me hoe ze uitzinnig rondholden over een Zeeuws strand, verbluft over de eindeloosheid, struikelend over hun eigen poten.

Grote Münsterlanders kom ik gelukkig zelden tegen, want daar krijg ik het te kwaad van. Andere fijne honden trouwens ook niet zo vaak. Meestal kruisen misbaksels mijn pad: vechthonden, platkoppen, schootkwijlers, slome breiwerkjes. Ik zie hun baasje of vrouwtje – het hondenwereldje is wat archaïsch – ernaast sjokken met een plastic zakje in de vrije hand, wat een heel treurig gezicht oplevert. Of ik passeer een omheind hondenuitlaatgebied waar een paar eigenaren hun keffers uit elkaar proberen te houden. Hierrr! Hierrr zeg ik!

Mij niet gezien. Niet meer. Maar wat vond ik het geweldig, toen.


Reacties zijn gesloten.