Het werd een verbijsterende tocht langs hongerende Afrikanen, heroïsche artsen, kritische diplomaten en rare hulpbobo’s. De ene dag stond ik in een heet, stoffig kamp tussen rochelende kinderen met oedeem en haveloze ouders die nog enkel leken te bestaan uit huid en gebeente en holle ogen die de woestijn van de honger in staarden. De andere dag trof ik in Khartoem een Deense information delegate van een hulporganisatie, gehuld in donker kostuum met stropdas, die stralend van succes vertelde dat hij net terug was van een chic diner dansant met een Saoedi-Arabische zusterorganisatie. “Onze betrekkingen zijn aanzienlijk verbeterd,” zei hij stralend. “Vandaag ben ik mijn salaris meer dan waard geweest.”Weer thuis, begon ik te tikken met alle energie die ik kon vinden – dat was ik verplicht aan die mensen in die ellendige woestijnkampen. Het slot: ‘Vier takken, een paar gescheurde doeken, een plekje schaduw als enig bezit. Geen huis, geen werk, geen toekomst. Een lege maag, een ziek kind, een plekje schaduw in een vergeten woestenij. Eeuwen van stilte.’Met een ellenlange tekst en tientallen indringende foto’s gingen Jos Lammers en ik naar de redactie. “Coverstory, zestien pagina’s,” zei Joop Swart resoluut. Commercieel niet verantwoord, vond de marketingafdeling. Maar journalistiek hoogst verantwoord, vond Swart.
We zijn inmiddels een kwart eeuw verder. Wéér zo’n krantenbericht over honger in Afrika. Maar nu zal er geen Live Aid komen en evenmin zal een blad er zestien pagina’s aan wijden. Ellende in de derde wereld: we weten het onderhand wel. Denken we.





