Afzien op een feeks van een berg

Afzien op een feeks van een berg

Het hete asfalt. De zinderende lucht er vlak boven. De brandende zon. De gillende mensen. En dan, eerst als een trillende luchtspiegeling, duikt er langzaam een helm op. Gevolgd door een van pijn vertrokken gezicht. Daaronder de magere schoudertjes, de stokjes van armen en ten slotte de tandenstokers van benen. De handen gaan de lucht in: Christopher Froome wint de zevende etappe van de Tour de France, op La Planche des Belles Filles. Het beeld staat in mijn geheugen gegrift.

Zo zien ze mij nu ook boven komen, schiet heel even door me heen als het allersteilste slotstuk van de klim afvlakt en ik de finishboog eindelijk kan zien. Twee tellen lang zie ik mezelf fietsen, zie ik hoe mijn lichaam langzaam boven het asfalt uitrijst en hoe ik meter voor meter dichter bij de meet kom. Een tel voel ik iets van heroïek. Dan nemen de pijn en het hijgen het weer over. Want ik heb geen armen en benen als tandenstokers en kom ook bepaald niet als eerste over de finish op deze sinds dit jaar legendarische aankomst.

Ik hoor bij de renners die al niet meer gefilmd worden als ze uitgewrongen op de top arriveren. Die terwijl ze in furieus tempo in veel gedrang op de klim afstormen nog hoop koesteren dat ze dit keer wél met de snelsten meekunnen, of nou ja, misschien een klein stukje, om hun kopvrouw te helpen.

Ik hoor bij de renners die meteen moeten lossen als er gedemarreerd wordt, wat dit keer al vanaf de voet gebeurt. Ik kan een aardig stukje omhoog fietsen in een strak tempo, maar tempowisselingen, daar past mijn lichaam voor. Toch probeer ik het. Ook al moet ik er straks af, dan kan ik nu misschien nog wat voor mijn kopvrouw betekenen. Ik hoor bij de renners die zichzelf dan meteen opblazen.

Ik hoor bij de renners die vervolgens wel dat strakke tempo te pakken krijgen, maar het kopgroepje continu op dezelfde afstand voor zich zien rijden. Ik hoor bij de renners die het na een volgende demarrage in die groep inwendig scheldend opgeven en denken: liever een beetje sparen, voor morgen. Zodat ik morgen misschien wél iets voor mijn kopvrouw kan betekenen. Dus ik haal de druk wat van de pedalen, in de hoop dat mijn hartslag een klein beetje zakt. Ik hijg als een paard. Zweet drupt van mijn voorhoofd in m’n ogen en van mijn kin op m’n frame. Mijn benen smeken om genade.

Maar La Planche des Belles Filles is een feeks. Ze staat het niet toe dat je gas terugneemt. Want dan krijg je de pedalen nauwelijks nog rond, zo steil is ze. La Planche is een kreng. De weg naar boven is weinig bochtig, je kunt eindeloos ver kijken, precies zien hoeveel je moet afzien. Nog een klein stukje, denk je, dan wordt het wat vlakker. Daar boven. Maar als je daar bent, wordt het niet vlakker. Gezichtsbedrog. Daar is La Plache goed in. In de laatste vijfhonderd meter jaagt ze je de stuipen op het lijf. Daar stijgt de weg loodrecht de hemel in. Ergens boven moet de finish zijn, maar er is niets van te zien.

Gelukkig hoor ik bij de renners die erg gemotiveerd raken van dikke rijen publiek die je naar boven schreeuwen. En ik hoor bij de renners die bij stijgingspercentage van 28 procent niet zwalkend over de weg maar gewoon rechtdoor naar boven stampen. Na de finishlijn zak ik op het asfalt neer. Omdat ik kapot ben, maar vooral om naar de meet te staren. De lucht trilt van de hitte, net als op die dag in de Tour de France, en in plaats van mijn compleet uitgewoonde collega’s zie ik vooral dat prachtige beeld van Chris Froome in de zindering boven het asfalt.

Marijn de Vries reed de afgelopen negen dagen de Route de France, een etappekoers door Frankrijk. In deze zevende etappe finishte ze als 23ste op La Planche des Belles Filles, op 3’50” van winnares Evelyn Stevens.

Hoe dat afzien van Marijn de Vries er dan uitziet is goed te zien op onderstaande foto’s.


Reacties zijn gesloten.