Doodsbang voor een ziek kindje

Baby in de couveuse (foto anp)

Het is laat, het huis is donker. Ik zit op de leren stoel die ooit nog van mijn oma was en staar naar het lege wiegje voor me. Binnen een maand ligt daar een baby in. Het anonieme wezen dat ik voel draaien en hikken en dat ik op een nog niet heel concrete wijze al erg lief vind. Straks ligt ze daar. En direct daarna denk ik: wat zal er mis zijn?

Want er kan zoveel mis zijn. Handicaps, aangeboren afwijkingen, erfelijke problemen, een moeizame start door de geboorte. Wat voor baby ligt daar straks en waarom kan ik er nou nooit eens rustig in geloven dat ze gezond wordt? Om me heen zie ik veel lieve, gezonde kinderen geboren worden. Vrolijke nieuwe gezinnen, uitgeput van de bevalling, maar intact. En ergens in mijn hoofd zit een verknipte kansberekenaar die de risico’s optelt en tot de conclusie komt dat er na zoveel blakende gezondheid bij mij wel iets mis zal zijn. Als de man in het grapje die een bom meeneemt aan boord van het vliegtuig omdat de kans dat twéé mensen dat doen, wel heel erg klein is.

Altijd adders
Veel mensen hebben de akelige neiging om uit te gaan van het ergste. Het is niet dat het glas half leeg is. Het glas heeft te lang in de zon gestaan, het water zit vol legionella en nu je het hebt opgedronken ga je dood. Mijn hele leven ben ik al jaloers op mensen die vertrouwen hebben in een goede afloop. Wat een energie moet dat schelen. Maar ik weet dat er veel zijn zoals ik, die het pas geloven als het is gelukt. En zelfs dan wachten op het addertje.

En we voeden deze neiging tot doemdenken in onszelf met nare verhalen. Vrouwenbladen bevatten eigenlijk altijd wel een uitgebreid verhaal over doffe ellende. Veel bestsellers, films en tv-series ook. Overwonnen doffe ellende, dat wel, maar toch. Partners die niet betrouwbaar blijken, vakanties die eindigen in een Aziatische cel, ziektes, handicaps. En dan zijn er veel verhalen over tegenslag bij kinderen. Baby’s met uitzonderlijke stofwisselingsziektes, allergieën of groeistoornissen. Hoe het moederinstinct zegt dat er iets niet klopt, maar de dokters het niet zien. Bevallingen die vreselijk uit de hand lopen.

Niet bidden
Het is goed om elkaars rotverhalen te horen. Mensen worden nu eenmaal ziek, baby’s ook. Daarover lezen helpt om je te realiseren dat je niet alleen bent als er iets mis is, dat tegenslag te overwinnen is. En het levert vier minuten leesplezier op, als je er van houdt. Maar als de draden in je hoofd zo lopen als bij mij, als de kast voor rotverhalen, doemscenario’s en persoonlijk falen zoveel groter en uitnodigender is dan dat hoekje ‘het komt wel goed’- wijsheid, dan is het een klein beetje gevaarlijk.

Ik neem van al die verhalen en artikelen beetjes mee. Elke ziekte krijgt een plekje in mijn hoofd als mogelijkheid en zo hebben uitzonderlijk nare, maar zeer zeldzame, aandoeningen behoorlijk veel aandacht gekregen in mijn onderbewuste. De ratio ‘gezond kind’ – ‘vreselijke aandoening’ lijkt me, gebaseerd op wat ik de afgelopen jaren heb gelezen en gehoord, 60/40.

En dat is niet reëel. Maar dat is wel wat er ’s nachts tegen me opvliegt als ik naar het lege wiegje kijk. Ik heb geen god, ik kan niet bidden, ik heb alleen de doemscenario’s en de pogingen ze te ontkrachten. Mijn zusje dacht vroeger, als er een vliegtuig overkwam, dat het op haar hoofd zou neerstorten. Dat gebeurde nooit. Ze werd ziek en twee maanden later was ze dood. Het helpt niet om te bedenken dat alles ook goed kan gaan. Het helpt wel om me te realiseren dat er heel wat tegenslag is die je aan kunt. Come what may.

Het heeft geen zin je van te voren zorgen te maken, zegt de rustige stem van mijn rationele wederhelft die me ziet zitten in het donker, op de oude stoel van mijn oma. Ik knik. Nee, het heeft geen zin. We zullen zien.


Reacties zijn gesloten.