Hoe ik Neil Armstrong bijna op de schouder tikte

Neil Armstrong (foto anp)

Neil Armstrong, de eerste mens op de maan, is dood. Grotere helden maken ze niet meer. En ik heb hem bijna op de schouder getikt!

Daar kunnen we als gewone stervelingen met ons hoofd niet bij: je neemt plaats in een krappe capsule op de top van een met miljoenen liters hoogexplosieve brandstof gevulde raket, je suist sneller dan een kogel de kosmos in en je landt op een niet eerder betreden hemellichaam zonder dampkring. Je ruimteschip heeft een boordcomputer, dertig kilo zwaar, maar die heeft een geheugen van slechts 74 KB. O ja, en dan stijg je na een poos ook weer op, in het volste vertrouwen dat de motor van je landingsvaartuig nog steeds werkt. Met een duizelingwekkende vaart suis je terug naar de aarde om daar in je capsule, hangend aan een parachute, te landen in de oceaan.

Dat heeft Neil Armstrong allemaal meegemaakt en daarom is hij een held. Hij was ook míjn held, omdat ruimtevaart nu eenmaal ooit mijn hobby was en ik astronauten zo ongeveer verafgoodde. En Neil Armstrong is toch de astronaut der astronauten. Zijn maanreis (o ja, Buzz Aldrin en Mike Collins gingen ook mee) was zo onvoorstelbaar avontuurlijk, gevaarlijk en spannend dat de rondjes om de aarde van een André Kuipers – om maar iemand te noemen – er schrilletjes bij afsteken. En ik weet dat André Kuipers het roerend met me eens is, want ook hij verlekkerde zich ooit aan de foto’s van de eerste generaties astronauten in hun stoere ruimtepakken. Dichter bij de kosmos zouden we – nou ja, ik dan – nooit komen.

In de zomer van 1989 deed zich een unieke kans voor om Neil Armstrong in levenden lijve te zien. Samen met Aldrin en Collins zou hij acte de présence geven op de tweejaarlijkse lucht- en ruimtevaartshow op het Parijse vliegveld Le Bourget. Ik was toen twintig jaar oud en besloot de organisatie niet te vertellen dat mijn eigen ruimtevaartblaadje (oplage honderdvijftig) al een jaar was opgeheven. Ik vroeg en kreeg een perskaart en meldde me bij een heuse persconferentie van de Apollo-11 bemanning. Dat was uiterst bijzonder, omdat algemeen bekend was dat vooral Neil Armstrong een pesthekel had aan persconferenties, interviews en eigenlijk alle gelegenheden waar journalisten kwamen om hem steeds weer dezelfde vragen te stellen. Armstrong deed gewoon wat er in het vluchtplan stond, klaar uit. Hij had geen tijd en geen zin om aan iets anders te denken. Op filosofische gedachten heeft niemand de man ooit kunnen betrappen. Armstrong was uitgepraat over Armstrong.

Ik zag drie mannen in pak binnenkomen in het zaaltje waar de heren dan tóch zouden gaan spreken. Ik realiseerde me dat ik Neil Armstrong nooit eerder zo had gezien: op alle foto’s zag hij er vooral ontzettend uit als een astronaut. Nu zou het ook de manager kunnen zijn van een middelgrote fabriek van aardappelzetmeel. Ik kan me herinneren dat ik dat toch wat teleurstellend vond. Toch hing er een licht opgewonden sfeertje in het zaaltje, dat tot de nok toe was gevuld met verslaggevers en cameramensen. Zij wisten ook wel dat ze getuige waren van een bijzonder moment.

Maar dat moment hielpen ze zelf om zeep. Want er kwamen alwéér diezelfde vragen als altijd: hoe voelt het op de maan? Was u niet bang? Wat vond u het mooiste? Bedacht u die beroemde woorden ‘Het is een kleine stap voor een mens, maar een grote sprong voor de mensheid’ ter plekke? Denkt u dat er leven is op andere planeten? Ik zag ook Buzz Aldrin weer gekweld kijken bij de vraag die hem zijn hele leven al achtervolgt: vond u het niet erg om de tweede man op de maan te zijn?

Neil Armstrong onderging alles met een wat stuurse blik: hij was er duidelijk ingeluisd om hier te zitten. Als oud-hoofdredacteur van een blaadje met honderdvijftig abonnees dat niet meer bestond, kwam ik er niet aan te pas: het waren vooral Franse televisiestations die de vragen stelden. Na een halfuurtje was het voorbij. Het gezelschap ging naar buiten om een luchtje te scheppen. Ik ook.

Neil Armstrong, twee seconden voordat ik hem bijna op de schouder tikte

En toen zag ik hem staan. Gewoon in het wild, ontspannen pratend met andere mannen in pak. De meeste persmuskieten waren al vertrokken. Dit zou hét moment kunnen zijn om een entre nous te hebben met een van de grootste helden van de moderne mensheid. Ik zou hem die ene vraag kunnen stellen die me al op de lippen brandde sinds ik voor het allereerst werd gegrepen door die fascinerende beelden van rondhuppelende maanmannen. Nu zou het kunnen gebeuren. Nu zou het moeten gebeuren. Kom op, Mark!

Maar wat was die ene brandende vraag? Wat vraag je iemand die alle vragen al ooit heeft beantwoord? Wat vraag je iemand wiens ruimtereis al helemaal is doodgeanalyseerd? Wat vraag je iemand die je op papier al zo goed kent? Nee, die vraag je niet om een handtekening, want ik wist dat hij die niet uitdeelde. Ik zou het mezelf nooit vergeven wanneer de enige blik die hij me ooit zou toewerpen, een geërgerde was. Dus: geen fan-gedrag. Geen clichévragen. Geen nerd-vragen over een detail van twintig jaar terug.

Ik maakte een foto, want hij stond inmiddels wel érg dichtbij. Ik zou hem op de schouder kunnen tikken. De schouder die destijds dat loodzware maanpak had getorst.

Ik oefende in mijn hoofd: “Excuse me, mister Armstrong, may I ask you a question?”

Maar wat zou mijn vraag zijn, die ene vraag waardoor hij zou worden verrast, die hem zou prikkelen, die hem zou uitnodigen tot een onthullend exposé, die zou maken dat hij me apart zou nemen om samen ontspannen een drankje te gaan drinken?

Die vraag kwam niet. Ik stond er maar te staan. Ik zag dat ik in zijn blikveld kwam. Ik glimlachte vriendelijk en zweeg. Achteraf denk ik dat dit het grootste plezier is wat ik mijn held heb kunnen doen. Graag gedaan, Neil.


Reacties zijn gesloten.