Wielerknecht zijn voelt soms gewoon ruk

wielrenster wordt gelost (foto anp)

Ik fiets in m’n eentje over de uitgestorven Vlaamse macadamweg richting Geraardsbergen. Het maïs in het veld buigt in de felle wind mijn kant op. Voor me zie ik nog net de staart van de kopgroep om de bocht verdwijnen. Ik kijk over mijn schouder: niets dan leegte achter me. Dan komt een jurymotor langszij. “Moet je wachten?” Ik knik gelaten. “Een minuut vijftig!”, licht hij me in over het meest recente tijdsverschil.

Een minuut vijftig om mijn zonden te overdenken.

In de berm staat een man, zijn fiets ligt aan zijn voeten. Nieuwsgierig kijkt hij toe hoe ik op een sukkeltempo voorbij peddel. Wat doet die eenzame renster daar? Gelost uit de kopgroep? Nee! Zou ik hem willen toeschreeuwen. Ik moet wachten! Ik kijk opnieuw over mijn schouder. Nog steeds geen naderend peloton. De kopgroep is inmiddels ook niet meer te zien. Alleen de wind houdt me gezelschap.

Was het nog maar een minuutje geleden dat de ploegleider naast me kwam rijden? Of al langer? “Marijn,” zei hij, “sorry. Je moet je laten terugzakken. Ze redden het niet in het peloton.” Ik was er al bang voor. We waren nog maar een paar kilometer onderweg of er reed al een kopgroep van tien rensters weg. Ik was nummer elf. Tien sterke rensters, die graag wilden samenwerken, want het tempo werd meteen hoog opgetrokken. Alleen ik deed niet mee. Ik zat in het laatste wiel. Want wij verdedigden de leiderstrui, en die zat nog in het peloton. Dan ga je niet meedraaien in de kopgroep.

Muur van Geraardsbergen

Onze voorsprong werd een minuut. Anderhalve minuut. Een minuut veertig. Dit gaat niet goed, dacht ik. We hadden afgesproken het gat met een eventuele kopgroep te controleren en in de finale dicht te rijden. Dan zouden we de gele trui zeker stellen. Maar deze kopgroep van elf was sterker dan mijn drie ploegmaten in het peloton, die voor die controle moesten zorgen.

Dus hier fiets ik nu.

Ik kijk nog een keer om. De weg is nog altijd leeg. Waar blijft dat peloton nou? Ik weet ook wel dat de kans dat ik op de meet de sterkste uit de kopgroep zou zijn kleiner is dan de kans dat onze kopvrouw wint. En daarmee het geel houdt. Maar toch. Je terug laten zakken voelt gewoon ruk. Ook al is het de afspraak, ook al is het het plan. Of had ik de stalorders moeten negeren en voor mijn eigen kansen moeten gaan? Nee. Dat doe ik niet. Zo ben ik niet. Ik ben te lief, misschien. Of gewoon een betrouwbare ploeggenoot.

Intussen bereid ik me voor op doodgaan.

Want als ik eenmaal terug ben in het peloton, zal ik keihard op kop moeten gaan rijden om de groep voorop terug te halen. Nu ik daar niet meer bij zit, moet het gat hoe dan ook dicht. Ik kijk om. Nog steeds niks in aantocht. Hoe kan dat nou? Ik wacht voor m’n gevoel al een kwartier. Is het tijdsverschil nog groter geworden? Ik hou de pedalen stil, kom uit het zadel en stretch. Eet twee gels. Drink een bidon leeg. Kijk weer achterom. En eindelijk, in de verte, zie ik het peloton naderen.

De rest van de rit sleur ik op kop, de pijn verbijtend. Het gat met de kopgroep wordt eindelijk kleiner. Als we voor de laatste keer de Muur van Geraardsbergen over gaan, hebben we de koplopers bijna te pakken. Mijn ploeggenoten zijn er twintig kilometer geleden al doorheen gezakt, en nu ben ik ook op. Ik los op de Muur. Onze kopvrouw staat er alleen voor. Ze vecht als een leeuw, maar redt het niet. We verliezen het geel.

Je leeg rijden voor niks. Ook dat is het lot van de knecht.


Reacties zijn gesloten.